Zoeken in deze blog

Wordt geladen...

zondag 25 september 2016

Asteroïde nadert aarde

... en de klap kan zo hard aankomen dat de mensheid vergaat.

Op p. 201 drong het tot Peter door

dat hij de ernst van de situatie had onderschat. Die vergissing kon je maken als je je jezelf toestond om te vergeten dat door Ardor het hele leven in een soap was veranderd.

Maar ook zonder Ardor zou dit hele verhaal zonder meer kunnen doorgaan als een variant op GTST. Andy wil Eliza, maar Eliza wil Peter, maar weet dat pas heel laat, want eerst wil ze helemaal niemand en verbergt ze zich achter haar fotocamera. Peter weet al heel vroeg, zeker nadat Stacey hem laat vallen, dat hij Eliza wil. Anita loopt weg van huis, omdat ze wil zingen en gebukt gaat onder het regime van haar streng-christelijke ouders. Ze vindt Andy, die ook muzikale aspiraties heeft. Pas heel laat vinden ze elkaar in de liefde, of wat daarvoor doorgaat. Peter wou eerst een beroemde basketballer worden, maar gaat twijfelen of dat nou het enige is. Enzovoort.

We keken allemaal op bestaat uit hoofdstukken waarin de anonieme verteller beurtelings zijn hoofdpersonen volgt: in volgorde van opkomst Peter, Eliza, Andy, Anita. Ondanks de existentiële twijfels van Peter houden ze zich vooral bezig met zichzelf en elkaar, wat niet wil zeggen dat er geen andere dierbaren in hun leven zijn. Zo is Peter erg begaan met zijn zus, die het houdt met woeste, misdadige types, en is Eliza dol op haar terminaal zieke vader. Enzovoort. 
Allemaal verteld in een wat stoere, op vermeend tieneridioom leunende stijl, waarbij de verteller als het ware in de huid van de hoofdpersoon kruipt en slechts een heel enkele keer aan een vooruitblik doet. (Aannemende dat de vertaling van Aimée Warmerdam hierin het Amerikaanse origineel volgt.)

Deze soap is echter wat anders dan vele andere soaps, want er is Ardor: de meteoriet die langzaam maar zeker de aarde nadert en die met een zekerheid van zo’n 60 procent zal raken, wat een klap zal geven met het equivalent van ‘ honderdduizend atoombommen’. 
Het einde der tijden! 
Wel jammer dat dit in de flaptekst op de achterkant al wordt aangekondigd, anders zou de verrassing groter zijn. Die asteroïde begint immers als een onaanzienlijke blauwe stip aan de nachtelijke hemel. Die stip wordt stilaan helderder, krijt op p. 58 een naam en pas op p. 86 kondigt de president van de VS, een zekere Obama (!), officieel het gevaar aan.
De waarschijnlijkheid van nog maar twee maanden te leven drijft mensen van hun ankers óf doet hen er juist aan vasthouden (Anita’s ouders) en zo ook de hoofdpersonen, die zich reageren dat hun twee maanden rest om te doen wat ze eigenlijk willen.
De omgeving verandert intussen in chaos. 
Instituties (incl. hun school, de hoofdpersonen bezoeken allemaal dezelfde) functioneren steeds minder, winkels raken leeg, de stroomvoorziening hapert, er zijn plunderingen, er is een door misdadigers geleide would-be opstand tegen het gezag, en zo meer. Er doken bij mij herinneringen op aan Memoirs of A Survivor van Doris Lessing en aan Anna van Nicoló Ammaniti.
Dat blijft allemaal wat op de achtergrond, want de verteller is druk bezig met de jonge hoofdpersonen - en die zijn zoals vermeld vooral bezig met zichzelf en hun directe omgeving. 
De verwikkelingen lopen wel dusdanig uit de hand dat er doden vallen - waaronder Peter. Aan drama geen gebrek. Aan hoop evenmin, gelukkig. Het verhaal eindigt met een licht religieuze touch:

Ze lachten. De asteroïde werd groter en helderder, maar ze lachten nog steeds. Ze lachten om dat wat ze niet konden voorspellen of beheersen. Zou het hel en verdoemenis zijn? Zou het Armageddon zijn? Of zou er een tweede kans komen? Terwijl Ardor zijn verdoemde baan vervolgde, voelde Eliza een paar handen zacht als dons op haar schouders landen, als de handen van een geest, en ze hield haar vrienden stevig vast, lachend en tegelijk biddend. Biddend voor vergiffenis en biddend voor gratie. Biddend voor genade.

Deze licht religieuze touch zit ook in de slotscène van het hoofdstuk waarin Peter sterft, overigens wel een sterke scène. (HV)

Tommy Wallach. We keken allemaal op. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1864 2. Oorspr.: We al looked up (2015). Vertaling Aimée Warmerdam. 382 p.




zaterdag 24 september 2016

Hertz

is de op eerste gezicht raadselachtige titel van een verhaal door Marleen Nelen. De ondertitel luidt: De zoektocht van Finn Revel.

Het begint met een soort inleiding, onder het kopje 'Het vertrek'.

Een dag voor Finns elfde verjaardag vertrok Johannes met een schip vol kabeljauw. Het was een koude dag in februari van het jaar 1911.

Uit die inleiding blijkt al dat Finn het moeilijk vindt dat zijn vader steeds weg is - en zijn moeder, pianiste Tove, eveneens. Hij snuffelt in zijn vaders werkkamer, vindt aantekeningen waaruit blijkt dat Johannes allerlei onderzoek doet, en troost zich met het vioolspel van zijn vriend Isaak, de zigeunervondeling.

Daarna springt de verteller (die zijn personage op de voet volgt) 'Drieëneenhalf jaar verder', en dus is het dan 1914.
Een omineus jaartal, maar de Eerste Wereldoorlog speelt hoegenaamd geen rol in dit verhaal. Verklaarbaar, want het speelt zich af aan de kust van Noorwegen, dat buiten die oorlog bleef.

Zijn vader komt terug. Hoogste tijd, want Tove en Finn hebben gebrek aan geld en leven inmiddels deels op de pof. Finn gaat daarom met het hondenspan van de kruidenier boodschappen bezorgen. De hond, Toisa, blijft bijna het hele verhaal bij hem, ook als hij inmiddels andere dingen doet.
Zijn vader komt terug - en gaat weer weg, nu met een schip (de Tor Viking) naar de Noordpool. Na een tijd verdwijnt elk spoor. Schip vergaan? Niemand weet het. En dat terwijl het schip als een van de eerste schepen radio aan boord had en morse-seinen kon uitzenden.
In de tussentijd probeert Tove rond te komen door piano te spelen, maar ze krijgt tuberculose. En Finn struint na school met vriend Isaak en vriendin Wanja door het stadje. Samen plegen ze inbraken in de huizen van de rijkste bewoners. En hij leert Aage kennen, een jongen die in een wagen woont en zich met techniek bezighoudt.
Aage bouwt onder meer een radiotoestel. Met dat toestel proberen ze contact te krijgen met de Tor Viking, met Johannes Revel. Op een gegeven moment lijkt dat te lukken, maar als ze met een zelf opgelapt scheepje de zee op gaan (ook Isaak gaat mee) komen ze terecht in een kapersnest, een stel zeelieden dat oorspronkelijk in opstand kwam tegen de rijke reders, maar nu min of meer voor eigen gewin overvallen op schepel pleegt. Vals spoor gevolgd. Met grote moeite weten ze na een tijd te ontsnappen. Daarbij raken zowel Finn als Toisa gewond en hun vriendschap wordt tijdens deze mislukte expeditie op de proef gesteld.

De afloop ga ik hier niet vertellen. De speurtocht houdt wat betreft Finn niet op, daar laat ik het bij.

Hertz is een fascinerend, rijk en spannend verhaal, tegen de achtergrond van armoede, groeiend verzet tegen arbeidsomstandigheden op de werven, en technische ontwikkeling. Sterke karakters, die dankzij een meesterlijke verteller stuk voor stuk vorm krijgen.
Wat mij betreft mogen we nog veel meer van Marleen Nelen gaan lezen.



Nelen, Marleen. Hertz. Querido, 2015. ISBN 978 90 451 1880 2. 368 p.

donderdag 22 september 2016

Avonturen van Odysseus





Ἄνδρα μοι ἔννεπε, Μοῦσα, πολύτροπον, ὃς μάλα πολλὰ
πλάγχθη, ἐπεὶ Τροίης ἱερὸν πτολίεθρον ἔπερσε.

Vertel me, Muze, over die schrandere man
die zoveel zwierf, nadat hij de grote stad Troje verwoestte.

Het verhaal over de zwerftocht van Odysseus is bekend. Het zou opgetekend zijn door ene Homeros, over wie we verder nagenoeg niets weten, ook al staat er een afbeelding van zijn hoofd in het British Museum. Ondanks die buste is het zelfs de vraag of hij heeft bestaan.
Het verhaal zelf is tot ons gekomen dankzij noeste arbeid van mensen die vonden dat het bewaard moest worden voor het nageslacht. De oudste fragmenten op papyrus zijn ruin tweeduizend jaar oud, het oudste complete manuscript dateert uit de Middeleeuwen.

De tekst is tegenwoordig integraal op internet te vinden, bijvoorbeeld hier, met een vertaling door Ben Bijnsdorp ernaast, of hier, met wetenschappelijk commentaar en bronnen. Het is vele malen bewerkt. Die bewerkingen zijn o.a. te onderscheiden naar de mate waarin zij de oorspronkelijke tekst volgen.
Het lastigst daarbij zijn niet zozeer de woorden, maar het ritme.
Voor wie geen Griekse letters kan lezen, hieronder een transcriptie (zoals ik dat ooit op school leerde):

Andra moi ennepe, Moesa, politropon, hos mala polla
planchthè, epei Trojèsron ptoliëthron eperse.

Zes lichte beklemtoonde lettergrepen per regel, ieder gevolgd door twee of één minder beklemtoonde lettergrepen: voilà de hexameter, het ritme van de Odyssee. Dat moet ongeveer zo geklonken hebben (denkt men) (En ik denk: vast zonder hoestjes vooraf, en misschien toch met meer passie. Zo, misschien? Hoe dan ook, het verhaal was bedoeld om naar te luisteren!

Zie dat maar eens na te doen in het Nederlands. Levert niet echt soepele taal op. Sommige bewerkers, waaronder Imme Dros, kozen voor een wat vrijer metrum, anderen voor proza. (Dat van Dros klinkt trouwens vaak als proza.) Ook werd de volgorde nog wel eens omgegooid.

Homeros zou echter vast wel erg hebben opgekeken van de bewerking van zijn epos die Daan Remmerts de Vries onlangs afleverde. Geen zangerig metrum maar staccato proza en een dosis ironie die hij wellicht ongepast zou hebben gevonden. Het heldendicht is veranderd in een cabareteske tekst, met ingebouwde mono- en dialogen. De muze wordt al helemaal niet aangeroepen, toch wordt er in de eerste zin een beroep gedaan op iemand. Laten we aannemen: de lezer.

Zie hem. Bekijk hem. Odysseus. Daar staat-ie, op de voorplecht van zijn zwarte schip. Een baard, een rechte neus, een mantel die wappert in de wind.

Maar hoewel de oproep om hem te bezien enkele keren wordt herhaald, is deze start atypisch.
Dit citaat, ook uit het begin, is typerender:

Odysseus staat op dat schip. Eindelijk op de terugweg…
Maar schepen hadden in die tijd voortdurend voedsel nodig. Geen ijskasten. Geen blikken soep. Wat zagen ze daar voor zich uit? Ismaros! Een eiland vol Kikoniërs!
Ja, maar wacht eens even! Die Kikoniërs, dat waren rotzakken! Die hadden de Trojanen aangemoedigd!
Hallo! Momentje! Mannen, doe je zwaarden maar weer om! Pak je spreek en je bogen! Die Kikoniërs zullen ervan lusten!
Krijsend gingen de Grieken daar aan land. Gillend renden ze de stad binnen. Vermoord alles wat een baard draagt! Steek de hens in wat van hout is! Tegenstand? Vechten ze terug? Het lef! De smeerlappen! Hak ze gauw in nootjes!
Wat vertelt Odysseus achteraf? ‘De vrouwen en veel rijkdommen maakten we buit en eerlijk verdeelden we alles.’
Ja, ja. Hij vond het allemaal volkomen op zijn plaats. Helaas, zijn mannen gingen daarna aan het fuiven. Vretend van het vee. En lol maken met de vrouwen die ze hadden meegenomen. Nee, vrouwen hadden niet veel te vertellen toen…

Dat staccato proza is intussen wel goed voor te dragen! 'Hallo! Momentje': dat brengt ons terug naar de oude versie. Maar die werd vermoedelijk gezongen. Zangerig kun je de tekst van déze Odyssee echt niet noemen. Het klinkt meer als een sterkeverhalenverteller aan een cafétafel.

De Odyssee is in dit boek verdeeld in 18 hoofdstukken. Dat zijn er 6 minder dan het origineel, maar sowieso verschilt de indeling van die van Homerus. Die laat Odysseus een groot deel van zijn belevenissen terugblikkend vertellen, een aspect waaraan Imme Dros zich in haar veelgeroemde bewerking (Odysseia, Querido, 1991, en in 2016 opnieuw als herziene uitgave verschenen) wel hield.
In de versie van Remmerts is er wel een terugblikkende verteller (en hoe: ‘geen ijskasten’, ‘geen blikken soep’), maar de avonturen volgen elkaar op in tijd. Hier is een verteller aan het woord die min of meer een loopje neemt met zijn held en met de goden, met de bedoeling, zo lijkt het, om de lachers op zijn hand te krijgen. Amusant, maar na enige tijd misschien wat vermoeiend. In ieder geval heel apart.

Bijzonder aan dit boek zijn maar de illustraties.



Naast Remmerts zelf, die hoofdstuk 8 van een afbeelding voorzag (zie boven), werden 17 illustratoren uitgenodigd om een hoofdstuk van een afbeelding te voorzien. Dat levert een rijk palet aan stijlen op - met hier en daar (maar lang niet zoveel als in de tekst) ook een ironische noot. Wat dat betreft zijn de sirenen van Annemarie van Haeringen (bij hoofdstuk 10, ‘ De Sirenen zingen’, zie onder) meesterlijk.





                                                           


Daan Remmerts de Vries. Avonturen van Odysseus, met illustraties van Charlotte Dematons, Annette Fienieg e.a. (Hoogland & Van Klaveren, 2015) 




woensdag 21 september 2016

Hoe vertel ik het mijn kinderen

Een van de somberste artikelen van de afgelopen tijd verscheen in Vrij Nederland 18-08-2016. Het was van Ed Croonenberg en de kop luidde: 'Hoe vertel ik het mijn kinderen; de onontkoombare uitstervingsgolf'. Boudste voorspelling (door Guy McPherson): over dertig jaar is het afgelopen met de mensheid. (Goede tweede in pessimisme: Peter Ward.) Het ging vergezeld door fraaie platen van Isaac Cordal.

Hoe vertel ik het mijn kinderen?

Ogenschijnlijk heeft dit vertoog te maken met hoe mensen met hun wereld omgaan, met 'het milieu' dus. Maar hoe 'wij' met 'onze wereld' omgaan heeft alles te maken met hoe we de wereld gebruiken, en dus met financiën, handel en nijverheid. (De Kunsten en Wetenschappen laat ik nu even buiten beschouwing.) (Voor wie dit niet begrijpt, zie Lijmen / Het been van Willem Elschot.)
Er is een direct verband tussen 'het milieu' (in de dubbele betekenis van het woord) en handel & nijverheid. Kort door de bocht: hoe ruiger de handel en nijverheid, hoe viezer de wereld.

Financiën zie ik nu maar even als deel van handel en nijverheid. De tak van wetenschap die zich daarmee zou moeten bezighouden heet economie.

Al tijden valt het me op dat er voor kinderen vrijwel geen enkel boek verschijnt waarin economie op een zinnige manier wordt uitgelegd. In de trefwoordenlijst van Boek en jeugd komen noch economie noch geld voor, ook op Leesfeest en Boekenzoeker is het lastig zoeken met die termen. Leesplein doet het ietsje beter.
Ik heb in al die tijd dat ik me beroepshalve met kinderboeken bezighield wel wat boeken zien langskomen, maar die beperken zich doorgaans tot wat voorzichtige uitleg over geld en verklaren nauwelijks waarom in kranten zo veel staat over financiële crisis e.d.. Bijvoorbeeld Wat kost dat?!: wat je wilt weten over geld & economie van Marga van Zundert (2008, geen slecht boek, komt dichtbij), Het geldboek voor kinderen (1998) en Hoe word je snel rijk? en andere vragen van kinderen over geld (2012) van Bas van Lier of Je geld of je leven van Alvin Hall (goed boek, komt het dichtst bij m'n idee). (Het gelijknamige boek van Hanneke van Veen en Rob van Eeden is voor volwassenen en meer een praktische handleiding.) (Het eveneens gelijknamige boek van Catharina Ingelman-Sundberg is een thriller voor kinderen.)
De enige uitzondering was een goed Duits boek - waarvan de vertaling helaas te kostbaar bleek om zonder subsidie uit te voeren. (Nikolaus Piper, Geschichte der Wirtschaft.)

Dan maar zelf schrijven? Ik heb nooit aanvechting gevoeld om zelf een boek te schrijven, maar wie weet. In een creatieve bui verzon ik alvast een tiental hoofdstukken:

Hoofdstuk 1, zout en schelpen
We weten haast niets van onze eerste voorouders. Ons iets verbeelden kunnen we wel: zie bijvoorbeeld Kinderen van de Maanvalk (oorspr. The Kin) van Peter Dickinson, een auteur die ook met ander werk gefascineerd blijkt door de allereerste mensen.
We kunnen ons alleen maar voorstellen dat er iets geruild werd tussen groepen. Maar hoe dat ging, daarover vertellen de gevonden botjes niets, de gevonden potjes een heel klein beetje, en ruilhandel onder indianenstammen in Zuid-Amerika misschien ook iets.

Hoofdstuk 2, de macht van het zwaard en kop of munt
Van de streepjes op kleitabletten in Mesopotamië tot de munten met de kop van Karel de Grote. De eerste sporen van geld en andere pasmunt. Waarom op oude munten zo vaak koppen van heersers staan.

Hoofdstuk 3, je lijf als onderpand
Koning, leenman, lijfeigene, een andere vorm van handel, zonder geld. Ik bewerk mijn akker, u beschermt mij... zolang het u goed uitkomt.

Hoofdstuk 4, wisselbriefjes en armlastige heersers
Lenen en laten lenen. Wat te doen als je niet genoeg baar geld op zak hebt en toch een schip wil uitrusten. Of een heel leger. La banca: de houten bank van de Italiaanse geldwisselaars. Kan een koning bankroet gaan?

Hoofdstuk 5, de tulpenrage (tulpen uit Amsterdam)
Wat is de waarde van een tulp? Over gokken, speculeren en windhandel. Worden we nooit wijzer?

Hoofdstuk 6, de grote roof (koloniën, slaven)
Heen: wapens, snuisterijen en vrome praatjes. Terug: specerijen, goud, en meer. Ook handel in mensen. Wat begon met handelsposten eindigde met veroveringen en overname van lokaal bestuur. Hoe overmacht de handel scheeftrekt - en de rechtvaardiging ervan.

Hoofdstuk 7, patriciërs, de droom van de natie en het werkvolk
Wij hebben het zo goed - en dat is goed zo, zo hoort het, en we gunnen ons personeel ook wel iets (maar niet teveel). Zie ons, verheven en gegoede ingezetenen, wij zijn de kern van de natie. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. Het werkvolk moet kort gehouden worden, anders krijgen ze een grote mond. 
Aldus de zelfvoldane gegoede burger. Maar het werkvolk ging morren.
Over de verdeling van geld en goederen.

Hoofdstuk 8, geketend aan de lopende band, een auto voor iedereen
Modern Times, de uitvinding van de lopende band. Kopen moeten we, kopen... maar het duurde even voor de patriciërs van weleer doorhadden dat hun werkvolk dan ook iets te besteden moet hebben. De mallemolen van maken en kopen. Van koning en fabrikant tot de loodgieter: iedereen leent. De mallemolen (opnieuw) van schulden en rente, en de handel in geld. Wie maakt het geld? Hoeveel geld is er eigenlijk? Kan het ook anders? Over het falen van de communistische heilstaat.

Hoofdstuk 9, spelen met geld (beurzen, aandelen) en het kind van de rekening
Verder over de handel in geld en het gokken met geld. Wat zijn beurzen, aandelen, obligaties, opties enzovoort. Wat was de Gouden Standaard? Nog eens: wie maakt het geld, wie bewaakt de waarde ervan, en hoe komt het dat er veel meer geld bijkomt als spullen en diensten? Goud is niet meer wat het was, het spaarvarkentje heeft een gat van onderen...

Hoofdstuk 10, gebakken lucht, gebakken peren of, vertrouwen komt te voet en gaat te paard
En nu? Daar sta je dan, met je spaarpotje en idealen. Hoe ziet je toekomst er uit? Over argwaan en samenwerking. Kunnen we elkaar nog vertrouwen?

Tja, nu de tekst nog. Het is mooi weer...

maandag 19 september 2016

Verloren zoon

Het lag al zo lang te wachten op bespreking dat ik het bijna weer opnieuw moest lezen: The Children's Act van Ian McEwan. Deze in 2014 verschenen roman is in hetzelfde jaar in vertaling (De Kinderwet, vert. Rien Verhoef) verschenen, maar ik las de Engelstalige versie.
De Engelse titel is ietsje rijker dan de Nederlandse, want act betekent zowel handeling als wet, en waar het om gaat is hoe hoofdpersoon Fiona Maye handelt inzake een lastig dilemma dat te maken heeft met de wet, en de betreffende wetten in het Verenigd Koninkrijk heten Children Act, niet Children's Act.
Die hoofdpersoon wordt gevolgd door een onbekende, alwetende verteller en die zit haar dicht op de hielen. Het perspectief is het hare.
Fiona Maye is een high court judge, een rechter met veel gezag, want het High Court is het meest gezaghebbende rechtsorgaan in Engeland en Wales. Ze krijgt te maken met twee dilemma's, een rechterlijk, een huiselijk, en later nog een derde, dat met beide te maken heeft.
Het huiselijke dilemma betreft haar echtgenoot Jack, die te kennen geeft op zijn 59e voor het laatst nog eens te willen genieten van een seksuele uitspatting - en niet met haar maar met ene Melanie, een studente. Hij wil dat zij dat goedkeurt, want hij houdt van haar en wil het huwelijk niet verbreken.
Het rechterlijke dilemma betreft een jongen die een bloedtransfusie zou moeten ondergaan om hem in leven te houden, maar de ouders weigeren dat omdat hun god (die van de Yehova's) dat niet toestaat.

De jongen, Adam (what's in a name) Henry, bijna achttien (bijna volwassen volgens de wet), is geneigd zijn ouders te volgen. Fiona zoekt hem op om hiervan zeker te zijn en deze passage (p. 100-118) is cruciaal en heel mooi, inbegrepen de ode aan de poëzie en de muziek die eindigt in samen musiceren, waarbij Adam viool speelt en Fiona zingt:

In a field by the river my love and I did stand,
And on my leaning shoulder she laid her snow-white hand.
She bid me take life easy, as the grass gros on the weirs;
but I was young and foolish, and now am full of tears.

Een bekend Engels liedje, 'The Sally Gardens'. Het bezoek eindigt met zijn vraag: 'Are you coming back?' We zijn dan halverwege het verhaal.

De jongen blijft leven.
Later zoekt hij haar op, ze is in Schotland voor een conferentie. En zegt haar, van verlegenheid kijkend naar een tafel: 'I want to come and live with you.'
Dat slaat ze af. Sterker nog, ze wil niet eens met hem praten. Ze gedraagt zich als de onkreukbaar geachte rechter die ze wil (of moet?) zijn.

The boy started to say, 'But we haven't even - and she raised a hand to shush him.
'You must go.'

Waarna nog een onhandig soort kus volgt, een die op zijn wang had moeten komen maar op zijn mond komt, maar even goed: 'You must go.'
Dat komt niet goed, dacht ik. En zo is het.

Het eerste dilemma is inmiddels wel opgelost - door Jack. Dat derde dilemma, dat was er niet - of te laat. Het verhaal eindigt in tranen.

Hiermee geef ik slechts een fractie weer van dit prachtige, schrijnende verhaal, dat zoveel rijker is in de details, ook door de heldere, trefzekere verteltrant.



McEwan, Ian. The Children's Act. Jonathan Cape, 2014. ISBN 978 0 2241 0199 8.





vrijdag 12 augustus 2016

100 keer Literatuur zonder leeftijd

Verhalen vertellen is van alle tijden.
Vroeger was het een belevenis als er een verhalenverteller langskwam. Toen er boeken kwamen, werden die langzamerhand een aanvulling op de vertellers van weleer. Toen er radio kwam, kwekten er ineens verhalen uit een kastje. Toen kwam er film, tv, internet - en nu worden we bedolven onder verhalen. Het is een wonder dat het boek standhoudt. Het is een nog groter wonder dat het kinderboek standhoudt.

Het aantal mensen dat zich heeft bezig gehouden met het maken, verspreiden en beoordelen van boeken voor kinderen is altijd relatief overzichtelijk gebleven, in ieder geval in vergelijking tot de aantallen mensen die zich bezig hielden met boeken voor volwassenen. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor radio, film, tv en internet.

Het is niet al te overdreven om het een Gideonsbende te noemen, de mensen die zich beijveren om het vertellen van verhalen aan kinderen op een hoger plan te tillen. Dat geldt voor film, theater, tv en zeker ook voor het kinderboek.

En dat terwijl de vorige eeuw wel eens de Eeuw van het Kind is genoemd en er een ware explosie aan kennis over kinderen was. De eeuw kan met recht ook de Eeuw van de ontwikkelingspsychologie genoemd worden. Helaas ook de Eeuw van de postmoderniteit, waarin er geen hoger of lager plan meer was en alles (dus niets) van gelijke waarde was, totdat uiteindelijk alleen de waarde van getallen gold. De waarde van de marktkoopman: een leuk boek is een boek dat goed verkoopt. Andere waarden zijn vooral een kwestie van smaak geworden en smaken kunnen verschillen, niet waar? Als jij dat nou leuk vindt… Gelukkig blijft het mogelijk om over die verschillen van smaak iets diepgaander te communiceren.

Hoe dan ook houden volwassenen zich als het om kunst (dus ook literatuur) gaat liever bezig met kunst voor henzelf en de meeste kunst wordt ook niet specifiek voor kinderen gemaakt. Alleen als die volwassenen kinderen krijgen ontdekken ze soms dat ze hun kinderen diezelfde ervaring gunnen als zij zelf hebben. Op zulke  momenten komt kunst voor kinderen (dus ook jeugdliteratuur) in beeld. Ze gaan met hun kinderen naar musea, naar jeugdtheater en naar de kinderboekwinkel en de jeugdbibliotheek en zorgen dat er soms een goede film voor hun kinderen te zien is.

Een klein aantal mensen blijft zich op dit gebied bewegen. Dat hoeft niet altijd aan hun kinderen te liggen, die interesse kan ook ergens anders vandaan komen, al is het maar beroepshalve. (Hulde voor de lichtingen jeugdbibliothecarissen die kinderen de weg hebben gewezen naar ervaringen voorbij Floortje Bellefleur en De Vijf.)

Zo ontstond die Gideonsbende, die veel kabaal maakte en maakt om die kunst voor kinderen onder de aandacht te brengen. Om me te beperken tot jeugdliteratuur: niet alleen genoemde bibliotheekmedewerkers, ook boekhandelaren (kinderboekwinkeliers), recensenten en ook de makers zelf, auteurs en illustratoren.

Sommige bendeleden lijken zich echter vooral te richten op elkaar. Nu kun je onderzoekers nauwelijks kwalijk nemen dat ze wat minder ketelmuziek produceren: dat is niet hun roeping, ook al moeten zij (juist zij) vaak roepen om gehoord te worden en een plekje in het bolwerk van de wetenschap te krijgen. Dat lukt soms ternauwernood en en waar op de ene plek wat gewonnen wordt (een master in Tilburg) gaat op de andere plek wat verloren (een bijzonder hoogleraarschap in Leiden).

Juist deze groep heeft kans gezien om nog een periodiek in stand te houden: Literatuur zonder leeftijd. Afgelopen maand verscheen aflevering 100 en terecht besteedt de redactie in deze aflevering aandacht aan de geschiedenis van dit tijdschrift-in-boekvorm.

Aan LZL is te zien dat het ons voor ons is (en soms ons kent ons). Er zijn weinig middelen, maar zelfs met de beschikbare middelen ziet men kans om een uiterlijk saai drukwerk te maken, duidelijk met de bedoeling er zoveel mogelijk tekst in te stoppen. Geld voor kleur is er niet, dus als het om illustraties gaat, moeten we het doen met zwartwit afbeeldingen. De hoofdartikelen hebben vaak academische pretenties, dus zijn ze lang en soms taai: hier wordt geen wetenschapsjournalistiek bedreven, maar wetenschap. (Gelukkig bevatten deze artikelen haast altijd een samenvatting aan het eind.)

Aangezien er in ons taalgebied hooguit enkele tientallen onderzoekers met jeugdliteratuur bezig zijn, is het te danken aan de solidariteit van genoemde Gideonsbende (ik reken me er zelf ook toe) dat LZL toch enkele honderden abonnees heeft.

LZL mag dan ons voor ons zijn, een echt incrowdperiodiek, dat het nog bestaat verdient een dik compliment. Niet alleen omdat het op dit moment nog het enige periodiek op dit gebied is, ook omdat de redactie met niet aflatende ijver tracht om in ieder geval wat betreft het onderzoek naar jeugdliteratuur in ons taalgebied up-to-date te blijven. en zich daarnaast inspant om ook nog de teksten te publiceren van lezingen die ertoe doen, plus recensies (die soms ‘analyse’ heten) en columns.
Wie zich intensief met kinderboeken bezighoudt doet zich tekort als de afleveringen ongelezen worden opgeborgen (of bij het oud papier belanden).

Goed, iets over de geschiedenis van LZL.
Aflevering 100 wordt gepresenteerd als aflevering 100 maar in feite is het aflevering 75 onder deze naam. De voorafgaande 25 afleveringen droegen de naam Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur en werden gepubliceerd door de op 9 april 1986 opgerichte Stichting Landelijk Platform Kinder- en Jeugdliteratuur. Het eerste nummer van Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur verscheen medio 1986.
Op 6 november 1992 vond een symposium plaats met de naam 'Literatuur zonder leeftijd' en dat had gevolgen: ten eerste werd de Stichting ter Bevordering van de Studie van Kinder- en Jeugdliteratuur opgericht, ten tweede werd het Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur  omgedoopt in Literatuur zonder leeftijd. De eerste aflevering verscheen in 1993 en kreeg het nummer 26.
In het voorwoord meldt toenmalig redacteur Joke Linders:
'Literatuur zonder leeftijd heeft eenzelfde doel maar wil verder gaan en plaats bieden aan discussies over de eigenaardigheden, kwaliteiten en grenzen van de kinder- en jeugdliteratuur. De titel is de eerste aanzet voor die discussie. Staat literatuur in principe niet los van welke leeftijd dan ook?'
Die discussies kwamen er.
Het periodiek wisselde twee keer van uitgever: na de stichting-met-de-lange-naam kwam Biblion Uitgeverij (onderdeel van NBD Biblion, het imprint is inmiddels opgeheven) (nummers 60-83), vervolgens IBBY Nederland.

Wat is er te lezen in Literatuur zonder leeftijd 100?
Allereerst een vijftal terugblikken.
- Een algemene terugblik op 100 nummers Literatuur zonder leeftijd door Bea Ros, met een lijst redacteurs. Daaraan ontleende ik bovenstaande data.
- Een terugblik op 'jeugdliteratuuronderzoek in Literatuur zonder leeftijd', door Helma van Lierop-Debrauwer, die o.a. teleurgesteld vaststelt dat de aandacht voor jeugdliteratuur in de wetenschap de laatste vijftien jaar is gedaald, maar tevreden vaststelt dat Literatuur zonder leeftijd een belangrijke rol speelt.
- Een terugblik door Bea Ros op artikelen over het beoordelen van jeugdliteratuur, draaiend rond 'des Pudels Kern: is of kan de jeugdliteraire kritiek hetzelfde zijn als die voor volwassenenliteratuur of is er sprake van een gradueel of zelfs wezenlijk verschil?'
Die discussie draait vooral om het verschijnsel dat kinderen doorgaans geen recensies lezen, althans niet die van volwassen recensenten die niet expliciet voor hen schrijven. Voor wie schrijft de recensent? Welk doel stelt hij zich? Wordt nog steeds vervolgd.
Bea Ros heeft al eens gepubliceerd over het beoordelen van jeugdliteratuur en ik begrijp dat we binnenkort een promotie-onderzoek van haar mogen verwachten over 'de jeugdliteraire kritiek in dagbladen in de periode 1950-2015'. Ik zie er naar uit.
- Een terugblik door Sara Van den Bossche over 'jeugdliteratuur en andere cultuuruitingen in Literatuur zonder leeftijd, eenrichtingsverkeer of kruisbestuiving?' 'Zoals al gebleken is, komen andere media voornamelijk aan bod als uitloper van het boek'  en 'Literatuur zonder leeftijd blijft dan ook een tijdschrift dat in de eerste plaats op literatuur in de traditionele, schriftgebonden zin van het woord is en blijft.' Hear, hear. Het is jammer, maar ik begrijp de praktische kant.
- Lat but not least buigt Nathalie Bierhuizen zich over de vraag ' Wat is "literatuur zonder leeftijd" en kan jeugdliteratuur een label krijgen? Een overzicht van de reflectie op deze vraag in honderd nummers Literatuur zonder leeftijd.' De vraag wordt niet beantwoord, ze wijst op de aandacht voor 'cross-over-literatuur' en stelt vast dat Literatuur zonder leeftijd 'gehoor geeft aan verschillende stemmen binnen het grensverkeerdebat en de eigen naam niet gebruikt als een keurslijf om alleen artikeln met een zelfde standpunt te publiceren.' Ik vind dat een compliment voor Literatuur zonder leeftijd.

We zijn dan aanbeland op pagina 88 van deze aflevering van 172 p.
Van de overige bijdragen vermeld ik het interview met uitgever Marita Vermeulen (De Eenhoorn) en redacteur Dik Zweekhorst (Querido) en dat met Jet Manrho, onlangs terecht geridderd voor haar activiteiten rond BoekieBoekie, het prachtige tijdschrift voor kinderen waarvan ook 100 nummers verschenen - en dat nu stopt. Althans, het wordt vervangen door een jaarboek.
En natuurlijk is het fijn dat zowel de Woutertje Pieterse-lezing van Floortje Zwigtman als de Annie M.G. Schmidtlezing van Harm de Jonge in deze aflevering te lezen zijn, al was het maar omdat ik beide lezingen heb gemist. Ze zijn allebei zeer het lezen waard, die van Floortje Zwigtman vond ik echter bijzonder omdat ze precies het punt raakt waarmee ik deze bespreking begon: het vertellen van verhalen. (Overigens is deze lezing ook op de website van de prijs te lezen - en te beluisteren!)

Nog een heel klein positief kanttekeningetje: het viel me op dat de in Literatuur zonder leeftijd vanouds gebezigde tautologie 'kinder- en jeugdliteratuur' (zijn kinderen geen jeugd?) in de titels van de beschreven artikelen is verdwenen. Dat mag ook wel in een periodiek dat Literatuur zonder leeftijd heet.



Literatuur zonder leeftijd. Uitgave Stichting IBBY-Nederland. Verschijnt 3 x per jaar, als boekje van rond 140 p.  Voor 2016 zijn de abonnementsprijzen als volgt: Instellingen 45,00; Particulieren 32,00; Studenten 24,25 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden). 

vrijdag 1 juli 2016

Zet leesbevordering aan tot meer lezen?

Dat zou je hopen, want waarom wordt leesbevordering anders toegepast en deels gesubsidieerd. Het rendement van leesbevordering is echter lastig te meten, omdat de controlegroep ontbreekt. Men kan moeilijk besluiten een lange periode een flink deel van het land grondig en zorgvuldig van alle leesbevorderingsactiviteiten te onthouden. Ook over de grens kijken is lastig. In gebieden waar zulke activiteiten ontbreken, ontbreekt meestal nog veel meer...
De vraag 'Kan leesbevordering de ontlezing stoppen?' is dan ook een heikele vraag. Hij staat boven een artikel door Helge Bonset in Levende Talen Tijdschrift 2016-2 (juni), 'een beschouwing naar aanleiding van empirisch onderzoek'. Helge Bonset draait als expert al decennia lang mee in het (onderzoek naar) onderwijs in taal en literatuur, vanaf zijn boek Nooit met je rug naar de klas! uit 1969 (zie de onvolprezen DBNL) tot op heden, en dat is reden om zo'n artikel met aandacht te lezen.
Het gaat om onderzoek naar samenhang tussen leesbevorderingsactiviteiten en aantallen gelezen boeken (leesfrequentie). De zonnigste uitkomst voor leesbevorderaars komt uit een onderzoek uit 2012 naar samenhang tussen CITO-scores en leesfrequentie (Kortlever & Lemmens). Die is er: hoge CITO-score voor taal en hoge leesfrequentie gaan hand in hand.
Daarentegen blijken leesbevorderingsactiviteiten door onderwijsgevenden volgens divers onderzoek toe te nemen, terwijl de leesfrequentie en leesattitude (vind je lezen leuk of niet) afnemen, zowel in tijd als in leeftijd: hoe ouder, hoe minder, en in Nederland zelfs sterker dan elders (Bonset verwijst naar het PIRLS-onderzoek)

Tja. Is leesbevordering dan zinloos?

Nee, zegt Bonset, want 'al was er geen enkel lichtpuntje, dan nog zou het antwoord op deze vraag nee luiden. Het is immers de taak van het onderwijs om leerlingen in contact te brengen met boeken, met fictie en met literatuur. Daarvoor zijn talloze redenen in de sfeer van Bildung die in het kader van dit artikel niet aan de orde zijn geweest.'
Maar daaraan vooraf gaan enkele prikkelende kanttekeningen. Het is de moeite waard om die in hun geheel te lezen (hij schrijft al beknopt genoeg), dus raad ik aan die tekst op de kop te tikken (zie hier).

En natuurlijk en gelukkig gaan docenten onverdroten door met hun werk, ook na het Manifest Nederlands op School, dat zoveel stof deed opwaaien onder docenten Nederlands, omdat het allemaal anders moest.
Het academische Levende Talen Tijdschrift heeft een iets meer op de praktijk toegespitst zusje, Levende Talen Magazine (zie ook hier). In nummer 2016-5 vind ik een weergave van de commotie door Jan Erik Grezel, en een artikel door Maurice Dumont over de befaamde leeslijst en de selectie van titels voor en door leerlingen.
Het juiste boek op het juiste tijdstip, aangeboden door de juiste docent, daar blijkt het wel op neer te komen. Geen nieuws, wel iets dat nooit genoeg herhaald kan worden.

De juiste docent ben je uiteraard als je voldoende gerespecteerd wordt door je leerlingen en in staat bent hen dat juiste boek op het juiste tijdstip aan te bieden, Wat Maurice Dumont daarover te melden heeft, vind ik inspirerend.
Het gekrakeel over het onderwijs aan leerlingen van het secundair onderwijs in Nederlandse taal en literatuur zal nog wel even voortduren. In maart was er een congres ('Bewust geletterd') en dat leverde volgens Grezel 'een bonte verzameling ideeën' op 'om het vak meer inhoud te geven en leerlingen te laten nadenken'. Meningsverschillen genoeg: de een wil grammatica-onderwijs verbeteren (meer inzicht, minder regeltjes), de ander afschaffen. De een wil schrijfonderwijs versterken, de ander het literatuuronderwijs. De een wil de leeslijst handhaven, de ander laat dat liever vrij of volgt Theo Witte's Lezen voor de lijst. De vmbo-docenten doen vooralsnog sowieso niet mee. Helge Bonset (zie boven) leverde in Levende Talen Magazine 2016-3 een vlijmscherpe reactie. Enzovoort. Je hoeft je als docent Nederlands 's avonds na het nakijken niet te vervelen.

Het zal wel mijn stokpaardje zijn dat ik vind dat er te weinig wordt gepleit voor de terugkeer van het vak retorica. Daaronder valt het gewenste zinvolle grammatica-onderwijs als ook aandacht voor stijlen en functioneel taalgebruik, het is lezen, schrijven en spreken en zowel theorie als praktijk samen in een vak.
Kan beginnen op de lerarenopleidingen en enkele jaren later in het onderwijs.
En het hoeft echt geen vak voor de laatste klassen te zijn, je kan er in klas 1 al mee beginnen. Is meteen maatschappelijke vorming, want je leert leerlingen de praatjes van onze bestuurders, politici en verkopers beter te doorzien. Maar ook literaire vorming, want het is heel goed mogelijk om verhalen en poëzie op hun al dan niet toegedichte retorische eigenschappen (waaronder stijl) te beoordelen en te bespreken.
Misschien kan meteen ook de in het verdomhoekje geraakte kunsteducatie weer in het onderwijs gebracht worden. Voor wie het vergeten was: literatuur is kunst, woordkunst en soms ook beeldkunst.


zondag 26 juni 2016

Literarisches Lernen

Dat je iets over literatuur kan leren, en ook van literatuur wat kan opsteken, dat wist ik, maar de term literarisches lernen bracht me tot peinzen. Leren op literaire wijze? Een docent die fantastisch vertelt?
De term prijkt op de voorkant van JuLit 2-16 en komt vooral voor in één 'Fokus'-artikel daarin: 'Was bleibt? Literarisches Lernen mit Bilderbuch-apps', door Julia Knopf en Kaspar Spinner.

JuLit is het kwartaalblad van de Arbeitskreis für Jugendliteratur, het Dachverband voor alle personen en instellingen die zich in Duitsland met jeugdliteratuur bezighouden: '47 Mitgliedsverbände aus den Bereichen Bibliothek, Bildung, Buchhandel/Verlag und Forschung und rund 200 Einzelpersonen, ausgewiesene Experten der Kinder- und Jugendliteratur'. De AkJ krijgt subsidie van het Bundesministerium für Familie, Senioren, Frauen und Jugend. (Alle andere ministeries zijn voor volwassen mannen in de bloei van hun leven, zou je haast denken.)

Per nummer is er naast allerhande artikelen, interviews en nieuws (geen recensies) een thema, ofwel Fokus, en daar hangen dan drie à vijf artikelen aan, in deze aflevering vier. Hoofdredactrice Kristina Bernd vermijdt de term literarisches lernen, en stipt aan: 'Wir sind umgeben von digitalen Medien, sie sind Bestandteil unseres Alltag. So selbstverständlich Erwachsene damit umgehen, so groß sind häufig die Bedenken, was Kindern zugemutet werden kann. Der Psychotherapeut Georg Milzner sprach unlängst von "digitaler Hysterie"'.
Herkenbaar.

Maar geen van de vier artikelen weerspiegelen iets van die digitale hysterie, of het moeten de zorgen van de literatuurdocent zijn, die Kaspar Spinner weergeeft in het bovengenoemde artikel. In de inleiding van hun artikel, dat verder als dialoog is opgezet (Spinner vraagt, Knops antwoordt), herken ik de wat gewichtige, bezorgde literatuurdocent die ook op conferenties in Nederland en Vlaanderen niet ontbreekt:
'In der Deutschdidaktik der letzten Jahre ist intensiv diskutiert worden, worin literarisches Lernen besteht. Es geht dabei um die Frage, welche Teilfähigkeiten für das Verstehen und Genießen von Literatur wichtig sind und wie sie gefördert werden können. Im Blick ist dabei die Beschäftigung mit gedruckten Texten. Zunehmend gibt es allerdings auch Untersuchungen, die sich auf das literarische Lernen mit digitale Medien beziehen.'
Dat laatste zal de vraag wat literarisches lernen is niet eenvoudiger maken...
Het is de zorg van de docent die 'deelvaardigheden' wil ontwikkelen en vooral bezig is met gedrukte literatuur. Voordracht, theater, film, muziek (gezongen poëzie) blijven ver uit zijn gezichtsveld. Laat staan de 'nieuwe media'. Tja, literarisch lernen met beelden...? Spinner en Knopf houden het op tekst, en beschouwen het beeld als ondersteuning. Ouders, kijk vooral mee met je kind, is hun aanbeveling. Maar met goede Bilderbuch-apps (waarvan ze helaas geen enkel voorbeeld noemen) is best literarisch te lernen.

Hun betoog werd voorafgegaan door een beschouwing door Anja Ballis, die wat cijfers presenteert en daarvoor verwijst naar de KIM-onderzoeken van het Medienpädagogisch Forschungsverbund Südwest. Deze onderzoeken zijn te downloaden. Waarvoor KIM staat, daar kwam ik niet zo gauw achter, maar ik vermoed dat K voor Kinder staat en M voor Medien. (Te meer daar er ook Jim-onderzoeken zijn.)
De tijd die zes- tot dertienjarigen aan de nieuwe media besteden neemt toe, maar ze blijven boeken lezen, al blijken drie van de tien meest gelezen titels 'eng an Verfilmungen gekoppelt', zodat de (niet specifiek nieuwe maar wel beeld-) media hier dus ook een grote rol spelen.

De twee andere 'Fokus'-artikelen beschrijven resp. een voorbeeld van een app (Monzter, zie ook de trailer) en een project met door kinderen gemaakte e-boeken.



JuLit 2-16. ISSN 0938-202X. € 32,50 per jaar, incl. btw en verzendkosten.


dinsdag 21 juni 2016

Kakafonie

Het is me weer gebeurd: ik ging op reis en nam een boek mee. Maar 's avonds had ik geen leeslicht, dus besloot ik een e-boek te lezen. Overdag The fixer van Bernard Malamud, 's avonds op de i-pad The Little Red Chairs van Edna O'Brien.
The Fixer meegenomen omdat het al zo lang in mijn kast stond (ik weet niet eens hoe het daar ooit in is beland) en een lekker licht boekje is. (Letterlijk, bedoel ik!) En misschien ook omdat het past bij de streek waar ik naar toe ging, Oost-Europa, Riga om precies te zijn. Het verleden van de Oekraïne raakt dat van Letland. (Om zijn accent te verklaren zegt Yakov Bok op een gegeven moment zelfs dat hij uit Letland komt.)
Het einde van de Rode mens van Svetlana Alexijevitsj liet ik op mijn nachtkastje achter, half gelezen. Veel te zwaar om mee te nemen. En Klein Duimpje van Wim Hofman (gesnuffeld, eerste bladzijden) liet ik ook achter. Een mooi licht reisboekje, maar dat heb je zo uitgelezen. Goed voor dagjes uit met leesgoed in de rugzak.
En dan heb ik het nog niet over In het licht van wat wij weten van Zia Haider Rahman, waarvan ik weken geleden de eerste pagina's las, maar dat andere verhalen voor moest laten gaan. Een echt nachtkastje-boek, veel te zwaar om mee te nemen. Hoop eraan toe te komen voor de lieve leenster het terug wil.

The Little Red Chairs heb ik nog niet uit - ik vrees dat het moet wachten op het volgende reisje maar ik lees het beslist uit, want het begon veelbelovend broeierig, met de aankomst van een vreemdeling in een slaperig Iers dorpje.
Terug thuis heb ik me vervolgens verdiept in Anna van Niccolò Ammaniti, en vervolgens kwamen er drie boeken ter beoordeling ('graag vóór 1 juli') en stortte ik me op het eerste daarvan, een soort Oom Jan leert zijn neefje schaken over filosofie, en vervolgens op het tweede, een volstrekt zouteloos fantasieverhaaltje over maanreizende zussen. De Rode mens moest maar even wachten, net als het licht van Zia.

Het is alsof ik in mijn hoofd voortdurend van kamer naar kamer wandel. Iedere kamer bevat een totaal andere stem in een ander landschap en een andere sfeer. Ik moet iedere keer even omschakelen: wie spreekt hier nu weer.
Als vanzelf komen er onlogische verbanden. Dat is geen opzet, maar het gevolg van wisselende vertellers.
Dus wordt het armetierige dorp van de fikser een pieplein beetje verlengd in het ook niet heel bloeiende dorp in Ierland. Verder houdt het op, want hoofdpersoon Yakov Bok lijkt waarachtig niet op de geheimzinnige onbekende die het dorp intrekt als therapeut. Hoewel, die man draagt een lange zwarte jas en in de omgeving van de fikser zijn ook heel wat lange jassen... En o ja, de bureaucratische Russen die in The Fixer rondstappen lijken wel erg op de apparatsjiks die in Het einde van de Rode mens rondlopen.
Natuurlijk, ik houd een en ander wel uit elkaar. En Anna spoorde met geen enkel ander verhaal.
Inmiddels lees ik weer netjes boek na boek, in plaats van meerdere tegelijk. Al moesten die drie te beoordelen boeken er even tussendoor en zou het zomaar kunnen dat ik de Rode mens even laat wijken voor Klein Duimpje.



vrijdag 17 juni 2016

Goden en kinderboeken

'Comment faire avec Dieu?' staat op het omslag van La revue des livres pour enfants 288 (april 2016) en dat stelde me eerst wat teleur. Slechts één god? Er zijn er toch vele? Maar realistisch is het wel. Het gaat immers in Europese kinderboeken als het om goden gaat doorgaans over één god, of dat nu de Christelijke (meestal) of Islamitische (heel soms) of Joodse (nog zeldzamer) is. In dat opzicht verschilt de Franstalige jeugdliteratuur niet van de Nederlandstalige of de Engelstalige (de bron van veel vertalingen in zowel het Nederlands als het Frans).
De redactie leidt het dossier als volgt in:

Nous aurions pu choisir sujet plus tranquille, mais impossible de trouver sujet plus nécessaire. Entre laïcité et fait religieuz, tous les acteurs du livre pour la jeunesse de posent mille questions. Des questions complexes que la société nous renvoie en un écho cacophonique et violent. Tant pis, nous traiterons des petits lapins dans l'album jeunesse un autre fois.

Ofwel: we hadden een rustiger onderwerp kunnen kiezen, maar onmogelijk een nodiger. Tussen wereldse en religieuze zaken stelt al wie zich met het kinderboek bezighoudt duizend vragen, ingewikkelde vragen waarop de samenleving ons een kakofonische en gewelddadige echo levert. Jammer, maar de konijntjes in het prentenboek behandelen we een andere keer.

Meestal beslaat hun dossier-inleiding een hele pagina, de beknoptheid is opvallend, alsof de redactie zich verder maar stil houdt.




Het dossier bevat:
- een interview met Susie Morgenstern,
- een artikel over religie in de jeugdbibliotheek. ('De Franse staat mag zich ver houden van religie, de samenleving doet dat niet en daarmee moet de bibliotheek rekening houden.')
- non-fictie over relidies.
- 'Remède à l'islamophobie': remedie tegen islamofobie, een interview met Mansour Mansour, uitgever bij Al Bouraq.
- oude verhalen en hun band met religies.
- 'Qu'avons-nous besoin de mythes?', hebben we behoefte aan mythes.



La revue des livres pour enfants 288 (april 2016). ISBN 978 2 35494 070 6, ISSN 0398 8384. Prijs per nummer € 15,-, prijs abonnement (Europa) € 67,-.

                                              

Jiddisch spreekwoord: als iedereen in dezelfde richting zou lopen, zou de wereld kantelen. (Besproken nummer, p. 104, bij het interview met Susie Morgenstern)