Zoeken in deze blog

Wordt geladen...

vrijdag 12 augustus 2016

100 keer Literatuur zonder leeftijd

Verhalen vertellen is van alle tijden.
Vroeger was het een belevenis als er een verhalenverteller langskwam. Toen er boeken kwamen, werden die langzamerhand een aanvulling op de vertellers van weleer. Toen er radio kwam, kwekten er ineens verhalen uit een kastje. Toen kwam er film, tv, internet - en nu worden we bedolven onder verhalen. Het is een wonder dat het boek standhoudt. Het is een nog groter wonder dat het kinderboek standhoudt.

Het aantal mensen dat zich heeft bezig gehouden met het maken, verspreiden en beoordelen van boeken voor kinderen is altijd relatief overzichtelijk gebleven, in ieder geval in vergelijking tot de aantallen mensen die zich bezig hielden met boeken voor volwassenen. Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor radio, film, tv en internet.

Het is niet al te overdreven om het een Gideonsbende te noemen, de mensen die zich beijveren om het vertellen van verhalen aan kinderen op een hoger plan te tillen. Dat geldt voor film, theater, tv en zeker ook voor het kinderboek.

En dat terwijl de vorige eeuw wel eens de Eeuw van het Kind is genoemd en er een ware explosie aan kennis over kinderen was. De eeuw kan met recht ook de Eeuw van de ontwikkelingspsychologie genoemd worden. Helaas ook de Eeuw van de postmoderniteit, waarin er geen hoger of lager plan meer was en alles (dus niets) van gelijke waarde was, totdat uiteindelijk alleen de waarde van getallen gold. De waarde van de marktkoopman: een leuk boek is een boek dat goed verkoopt. Andere waarden zijn vooral een kwestie van smaak geworden en smaken kunnen verschillen, niet waar? Als jij dat nou leuk vindt… Gelukkig blijft het mogelijk om over die verschillen van smaak iets diepgaander te communiceren.

Hoe dan ook houden volwassenen zich als het om kunst (dus ook literatuur) gaat liever bezig met kunst voor henzelf en de meeste kunst wordt ook niet specifiek voor kinderen gemaakt. Alleen als die volwassenen kinderen krijgen ontdekken ze soms dat ze hun kinderen diezelfde ervaring gunnen als zij zelf hebben. Op zulke  momenten komt kunst voor kinderen (dus ook jeugdliteratuur) in beeld. Ze gaan met hun kinderen naar musea, naar jeugdtheater en naar de kinderboekwinkel en de jeugdbibliotheek en zorgen dat er soms een goede film voor hun kinderen te zien is.

Een klein aantal mensen blijft zich op dit gebied bewegen. Dat hoeft niet altijd aan hun kinderen te liggen, die interesse kan ook ergens anders vandaan komen, al is het maar beroepshalve. (Hulde voor de lichtingen jeugdbibliothecarissen die kinderen de weg hebben gewezen naar ervaringen voorbij Floortje Bellefleur en De Vijf.)

Zo ontstond die Gideonsbende, die veel kabaal maakte en maakt om die kunst voor kinderen onder de aandacht te brengen. Om me te beperken tot jeugdliteratuur: niet alleen genoemde bibliotheekmedewerkers, ook boekhandelaren (kinderboekwinkeliers), recensenten en ook de makers zelf, auteurs en illustratoren.

Sommige bendeleden lijken zich echter vooral te richten op elkaar. Nu kun je onderzoekers nauwelijks kwalijk nemen dat ze wat minder ketelmuziek produceren: dat is niet hun roeping, ook al moeten zij (juist zij) vaak roepen om gehoord te worden en een plekje in het bolwerk van de wetenschap te krijgen. Dat lukt soms ternauwernood en hier en waar op de ene plek wat gewonnen wordt (een master in Tilburg) gaat op de andere plek wat verloren (een bijzonder hoogleraarschap in Leiden).

Juist deze groep heeft kans gezien om nog een periodiek in stand te houden: Literatuur zonder leeftijd. Afgelopen maand verscheen aflevering 100 en terecht besteedt de redactie in deze aflevering aandacht aan de geschiedenis van dit tijdschrift-in-boekvorm.

Aan LZL is te zien dat het ons voor ons is (en soms ons kent ons). Er zijn weinig middelen, maar zelfs met de beschikbare middelen ziet men kans om een uiterlijk saai drukwerk te maken, duidelijk met de bedoeling er zoveel mogelijk tekst in te stoppen. Geld voor kleur is er niet, dus als het om illustraties gaat, moeten we het doen met zwartwit afbeeldingen. De hoofdartikelen hebben vaak academische pretenties, dus zijn ze lang en soms taai: hier wordt geen wetenschapsjournalistiek bedreven, maar wetenschap. (Gelukkig bevatten deze artikelen haast altijd een samenvatting aan het eind.)

Aangezien er in ons taalgebied hooguit enkele tientallen onderzoekers met jeugdliteratuur bezig zijn, is het te danken aan de solidariteit van genoemde Gideonsbende (ik reken me er zelf ook toe) dat LZL toch enkele honderden abonnees heeft.

LZL mag dan ons voor ons zijn, een echt incrowdperiodiek, dat het nog bestaat verdient een dik compliment. Niet alleen omdat het op dit moment nog het enige periodiek op dit gebied is, ook omdat de redactie met niet aflatende ijver tracht om in ieder geval wat betreft het onderzoek naar jeugdliteratuur in ons taalgebied up-to-date te blijven. en zich daarnaast inspant om ook nog de teksten te publiceren van lezingen die ertoe doen, plus recensies (die soms ‘analyse’ heten) en columns.
Wie zich intensief met kinderboeken bezighoudt doet zich tekort als de afleveringen ongelezen worden opgeborgen (of bij het oud papier belanden).

Goed, iets over de geschiedenis van LZL.
Aflevering 100 wordt gepresenteerd als aflevering 100 maar in feite is het aflevering 75 onder deze naam. De voorafgaande 25 afleveringen droegen de naam Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur en werden gepubliceerd door de op 9 april 1986 opgerichte Stichting Landelijk Platform Kinder- en Jeugdliteratuur. Het eerste nummer van Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur verscheen medio 1986.
Op 6 november 1992 vond een symposium plaats met de naam 'Literatuur zonder leeftijd' en dat had gevolgen: ten eerste werd de Stichting ter Bevordering van de Studie van Kinder- en Jeugdliteratuur opgericht, ten tweede werd het Documentatieblad kinder- en jeugdliteratuur  omgedoopt in Literatuur zonder leeftijd. De eerste aflevering verscheen in 1993 en kreeg het nummer 26.
In het voorwoord meldt toenmalig redacteur Joke Linders:
'Literatuur zonder leeftijd heeft eenzelfde doel maar wil verder gaan en plaats bieden aan discussies over de eigenaardigheden, kwaliteiten en grenzen van de kinder- en jeugdliteratuur. De titel is de eerste aanzet voor die discussie. Staat literatuur in principe niet los van welke leeftijd dan ook?'
Die discussies kwamen er.
Het periodiek wisselde twee keer van uitgever: na de stichting-met-de-lange-naam kwam Biblion Uitgeverij (onderdeel van NBD Biblion, het imprint is inmiddels opgeheven) (nummers 60-83), vervolgens IBBY Nederland.

Wat is er te lezen in Literatuur zonder leeftijd 100?
Allereerst een vijftal terugblikken.
- Een algemene terugblik op 100 nummers Literatuur zonder leeftijd door Bea Ros, met een lijst redacteurs. Daaraan ontleende ik bovenstaande data.
- Een terugblik op 'jeugdliteratuuronderzoek in Literatuur zonder leeftijd', door Helma van Lierop-Debrauwer, die o.a. teleurgesteld vaststelt dat de aandacht voor jeugdliteratuur in de wetenschap de laatste vijftien jaar is gedaald, maar tevreden vaststelt dat Literatuur zonder leeftijd een belangrijke rol speelt.
- Een terugblik door Bea Ros op artikelen over het beoordelen van jeugdliteratuur, draaiend rond 'des Pudels Kern: is of kan de jeugdliteraire kritiek hetzelfde zijn als die voor volwassenenliteratuur of is er sprake van een gradueel of zelfs wezenlijk verschil?'
Die discussie draait vooral om het verschijnsel dat kinderen doorgaans geen recensies lezen, althans niet die van volwassen recensenten die niet expliciet voor hen schrijven. Voor wie schrijft de recensent? Welk doel stelt hij zich? Wordt nog steeds vervolgd.
Bea Ros heeft al eens gepubliceerd over het beoordelen van jeugdliteratuur en ik begrijp dat we binnenkort een promotie-onderzoek van haar mogen verwachten over 'de jeugdliteraire kritiek in dagbladen in de periode 1950-2015'. Ik zie er naar uit.
- Een terugblik door Sara Van den Bossche over 'jeugdliteratuur en andere cultuuruitingen in Literatuur zonder leeftijd, eenrichtingsverkeer of kruisbestuiving?' 'Zoals al gebleken is, komen andere media voornamelijk aan bod als uitloper van het boek'  en 'Literatuur zonder leeftijd blijft dan ook een tijdschrift dat in de eerste plaats op literatuur in de traditionele, schriftgebonden zin van het woord is en blijft.' Hear, hear. Het is jammer, maar ik begrijp de praktische kant.
- Lat but not least buigt Nathalie Bierhuizen zich over de vraag ' Wat is "literatuur zonder leeftijd" en kan jeugdliteratuur een label krijgen? Een overzicht van de reflectie op deze vraag in honderd nummers Literatuur zonder leeftijd.' De vraag wordt niet beantwoord, ze wijst op de aandacht voor 'cross-over-literatuur' en stelt vast dat Literatuur zonder leeftijd 'gehoor geeft aan verschillende stemmen binnen het grensverkeerdebat en de eigen naam niet gebruikt als een keurslijf om alleen artikeln met een zelfde standpunt te publiceren.' Ik vind dat een compliment voor Literatuur zonder leeftijd.

We zijn dan aanbeland op pagina 88 van deze aflevering van 172 p.
Van de overige bijdragen vermeld ik het interview met uitgever Marita Vermeulen (De Eenhoorn) en redacteur Dik Zweekhorst (Querido) en dat met Jet Manrho, onlangs terecht geridderd voor haar activiteiten rond BoekieBoekie, het prachtige tijdschrift voor kinderen waarvan ook 100 nummers verschenen - en dat nu stopt. Althans, het wordt vervangen door een jaarboek.
En natuurlijk is het fijn dat zowel de Woutertje Pieterse-lezing van Floortje Zwigtman als de Annie M.G. Schmidtlezing van Harm de Jonge in deze aflevering te lezen zijn, al was het maar omdat ik beide lezingen heb gemist. Ze zijn allebei zeer het lezen waard, die van Floortje Zwigtman vond ik echter bijzonder omdat ze precies het punt raakt waarmee ik deze bespreking begon: het vertellen van verhalen. (Overigens is deze lezing ook de website van de prijs te lezen - en te beluisteren!)

Nog een heel klein positief kanttekeningetje: het viel me op dat de in Literatuur zonder leeftijd vanouds gebezigde tautologie 'kinder- en jeugdliteratuur' (zijn kinderen geen jeugd?) in de titels van de beschreven artikelen is verdwenen. Dat mag ook wel in een periodiek dat Literatuur zonder leeftijd heet.



Literatuur zonder leeftijd. Uitgave Stichting IBBY-Nederland. Verschijnt 3 x per jaar, als boekje van rond 140 p.  Voor 2016 zijn de abonnementsprijzen als volgt: Instellingen 45,00; Particulieren 32,00; Studenten 24,25 (bewijs van inschrijving meesturen; moet elk jaar vernieuwd worden). Abonnementen gaan in per volledig kalenderjaar (reeds verschenen nummers worden toegezonden). 

vrijdag 1 juli 2016

Zet leesbevordering aan tot meer lezen?

Dat zou je hopen, want waarom wordt leesbevordering anders toegepast en deels gesubsidieerd. Het rendement van leesbevordering is echter lastig te meten, omdat de controlegroep ontbreekt. Men kan moeilijk besluiten een lange periode een flink deel van het land grondig en zorgvuldig van alle leesbevorderingsactiviteiten te onthouden. Ook over de grens kijken is lastig. In gebieden waar zulke activiteiten ontbreken, ontbreekt meestal nog veel meer...
De vraag 'Kan leesbevordering de ontlezing stoppen?' is dan ook een heikele vraag. Hij staat boven een artikel door Helge Bonset in Levende Talen Tijdschrift 2016-2 (juni), 'een beschouwing naar aanleiding van empirisch onderzoek'. Helge Bonset draait als expert al decennia lang mee in het (onderzoek naar) onderwijs in taal en literatuur, vanaf zijn boek Nooit met je rug naar de klas! uit 1969 (zie de onvolprezen DBNL) tot op heden, en dat is reden om zo'n artikel met aandacht te lezen.
Het gaat om onderzoek naar samenhang tussen leesbevorderingsactiviteiten en aantallen gelezen boeken (leesfrequentie). De zonnigste uitkomst voor leesbevorderaars komt uit een onderzoek uit 2012 naar samenhang tussen CITO-scores en leesfrequentie (Kortlever & Lemmens). Die is er: hoge CITO-score voor taal en hoge leesfrequentie gaan hand in hand.
Daarentegen blijken leesbevorderingsactiviteiten door onderwijsgevenden volgens divers onderzoek toe te nemen, terwijl de leesfrequentie en leesattitude (vind je lezen leuk of niet) afnemen, zowel in tijd als in leeftijd: hoe ouder, hoe minder, en in Nederland zelfs sterker dan elders (Bonset verwijst naar het PIRLS-onderzoek)

Tja. Is leesbevordering dan zinloos?

Nee, zegt Bonset, want 'al was er geen enkel lichtpuntje, dan nog zou het antwoord op deze vraag nee luiden. Het is immers de taak van het onderwijs om leerlingen in contact te brengen met boeken, met fictie en met literatuur. Daarvoor zijn talloze redenen in de sfeer van Bildung die in het kader van dit artikel niet aan de orde zijn geweest.'
Maar daaraan vooraf gaan enkele prikkelende kanttekeningen. Het is de moeite waard om die in hun geheel te lezen (hij schrijft al beknopt genoeg), dus raad ik aan die tekst op de kop te tikken (zie hier).

En natuurlijk en gelukkig gaan docenten onverdroten door met hun werk, ook na het Manifest Nederlands op School, dat zoveel stof deed opwaaien onder docenten Nederlands, omdat het allemaal anders moest.
Het academische Levende Talen Tijdschrift heeft een iets meer op de praktijk toegespitst zusje, Levende Talen Magazine (zie ook hier). In nummer 2016-5 vind ik een weergave van de commotie door Jan Erik Grezel, en een artikel door Maurice Dumont over de befaamde leeslijst en de selectie van titels voor en door leerlingen.
Het juiste boek op het juiste tijdstip, aangeboden door de juiste docent, daar blijkt het wel op neer te komen. Geen nieuws, wel iets dat nooit genoeg herhaald kan worden.

De juiste docent ben je uiteraard als je voldoende gerespecteerd wordt door je leerlingen en in staat bent hen dat juiste boek op het juiste tijdstip aan te bieden, Wat Maurice Dumont daarover te melden heeft, vind ik inspirerend.
Het gekrakeel over het onderwijs aan leerlingen van het secundair onderwijs in Nederlandse taal en literatuur zal nog wel even voortduren. In maart was er een congres ('Bewust geletterd') en dat leverde volgens Grezel 'een bonte verzameling ideeën' op 'om het vak meer inhoud te geven en leerlingen te laten nadenken'. Meningsverschillen genoeg: de een wil grammatica-onderwijs verbeteren (meer inzicht, minder regeltjes), de ander afschaffen. De een wil schrijfonderwijs versterken, de ander het literatuuronderwijs. De een wil de leeslijst handhaven, de ander laat dat liever vrij of volgt Theo Witte's Lezen voor de lijst. De vmbo-docenten doen vooralsnog sowieso niet mee. Helge Bonset (zie boven) leverde in Levende Talen Magazine 2016-3 een vlijmscherpe reactie. Enzovoort. Je hoeft je als docent Nederlands 's avonds na het nakijken niet te vervelen.

Het zal wel mijn stokpaardje zijn dat ik vind dat er te weinig wordt gepleit voor de terugkeer van het vak retorica. Daaronder valt het gewenste zinvolle grammatica-onderwijs als ook aandacht voor stijlen en functioneel taalgebruik, het is lezen, schrijven en spreken en zowel theorie als praktijk samen in een vak.
Kan beginnen op de lerarenopleidingen en enkele jaren later in het onderwijs.
En het hoeft echt geen vak voor de laatste klassen te zijn, je kan er in klas 1 al mee beginnen. Is meteen maatschappelijke vorming, want je leert leerlingen de praatjes van onze bestuurders, politici en verkopers beter te doorzien. Maar ook literaire vorming, want het is heel goed mogelijk om verhalen en poëzie op hun al dan niet toegedichte retorische eigenschappen (waaronder stijl) te beoordelen en te bespreken.
Misschien kan meteen ook de in het verdomhoekje geraakte kunsteducatie weer in het onderwijs gebracht worden. Voor wie het vergeten was: literatuur is kunst, woordkunst en soms ook beeldkunst.


zondag 26 juni 2016

Literarisches Lernen

Dat je iets over literatuur kan leren, en ook van literatuur wat kan opsteken, dat wist ik, maar de term literarisches lernen bracht me tot peinzen. Leren op literaire wijze? Een docent die fantastisch vertelt?
De term prijkt op de voorkant van JuLit 2-16 en komt vooral voor in één 'Fokus'-artikel daarin: 'Was bleibt? Literarisches Lernen mit Bilderbuch-apps', door Julia Knopf en Kaspar Spinner.

JuLit is het kwartaalblad van de Arbeitskreis für Jugendliteratur, het Dachverband voor alle personen en instellingen die zich in Duitsland met jeugdliteratuur bezighouden: '47 Mitgliedsverbände aus den Bereichen Bibliothek, Bildung, Buchhandel/Verlag und Forschung und rund 200 Einzelpersonen, ausgewiesene Experten der Kinder- und Jugendliteratur'. De AkJ krijgt subsidie van het Bundesministerium für Familie, Senioren, Frauen und Jugend. (Alle andere ministeries zijn voor volwassen mannen in de bloei van hun leven, zou je haast denken.)

Per nummer is er naast allerhande artikelen, interviews en nieuws (geen recensies) een thema, ofwel Fokus, en daar hangen dan drie à vijf artikelen aan, in deze aflevering vier. Hoofdredactrice Kristina Bernd vermijdt de term literarisches lernen, en stipt aan: 'Wir sind umgeben von digitalen Medien, sie sind Bestandteil unseres Alltag. So selbstverständlich Erwachsene damit umgehen, so groß sind häufig die Bedenken, was Kindern zugemutet werden kann. Der Psychotherapeut Georg Milzner sprach unlängst von "digitaler Hysterie"'.
Herkenbaar.

Maar geen van de vier artikelen weerspiegelen iets van die digitale hysterie, of het moeten de zorgen van de literatuurdocent zijn, die Kaspar Spinner weergeeft in het bovengenoemde artikel. In de inleiding van hun artikel, dat verder als dialoog is opgezet (Spinner vraagt, Knops antwoordt), herken ik de wat gewichtige, bezorgde literatuurdocent die ook op conferenties in Nederland en Vlaanderen niet ontbreekt:
'In der Deutschdidaktik der letzten Jahre ist intensiv diskutiert worden, worin literarisches Lernen besteht. Es geht dabei um die Frage, welche Teilfähigkeiten für das Verstehen und Genießen von Literatur wichtig sind und wie sie gefördert werden können. Im Blick ist dabei die Beschäftigung mit gedruckten Texten. Zunehmend gibt es allerdings auch Untersuchungen, die sich auf das literarische Lernen mit digitale Medien beziehen.'
Dat laatste zal de vraag wat literarisches lernen is niet eenvoudiger maken...
Het is de zorg van de docent die 'deelvaardigheden' wil ontwikkelen en vooral bezig is met gedrukte literatuur. Voordracht, theater, film, muziek (gezongen poëzie) blijven ver uit zijn gezichtsveld. Laat staan de 'nieuwe media'. Tja, literarisch lernen met beelden...? Spinner en Knopf houden het op tekst, en beschouwen het beeld als ondersteuning. Ouders, kijk vooral mee met je kind, is hun aanbeveling. Maar met goede Bilderbuch-apps (waarvan ze helaas geen enkel voorbeeld noemen) is best literarisch te lernen.

Hun betoog werd voorafgegaan door een beschouwing door Anja Ballis, die wat cijfers presenteert en daarvoor verwijst naar de KIM-onderzoeken van het Medienpädagogisch Forschungsverbund Südwest. Deze onderzoeken zijn te downloaden. Waarvoor KIM staat, daar kwam ik niet zo gauw achter, maar ik vermoed dat K voor Kinder staat en M voor Medien. (Te meer daar er ook Jim-onderzoeken zijn.)
De tijd die zes- tot dertienjarigen aan de nieuwe media besteden neemt toe, maar ze blijven boeken lezen, al blijken drie van de tien meest gelezen titels 'eng an Verfilmungen gekoppelt', zodat de (niet specifiek nieuwe maar wel beeld-) media hier dus ook een grote rol spelen.

De twee andere 'Fokus'-artikelen beschrijven resp. een voorbeeld van een app (Monzter, zie ook de trailer) en een project met door kinderen gemaakte e-boeken.



JuLit 2-16. ISSN 0938-202X. € 32,50 per jaar, incl. btw en verzendkosten.


dinsdag 21 juni 2016

Kakafonie

Het is me weer gebeurd: ik ging op reis en nam een boek mee. Maar 's avonds had ik geen leeslicht, dus besloot ik een e-boek te lezen. Overdag The fixer van Bernard Malamud, 's avonds op de i-pad The Little Red Chairs van Edna O'Brien.
The Fixer meegenomen omdat het al zo lang in mijn kast stond (ik weet niet eens hoe het daar ooit in is beland) en een lekker licht boekje is. (Letterlijk, bedoel ik!) En misschien ook omdat het past bij de streek waar ik naar toe ging, Oost-Europa, Riga om precies te zijn. Het verleden van de Oekraïne raakt dat van Letland. (Om zijn accent te verklaren zegt Yakov Bok op een gegeven moment zelfs dat hij uit Letland komt.)
Het einde van de Rode mens van Svetlana Alexijevitsj liet ik op mijn nachtkastje achter, half gelezen. Veel te zwaar om mee te nemen. En Klein Duimpje van Wim Hofman (gesnuffeld, eerste bladzijden) liet ik ook achter. Een mooi licht reisboekje, maar dat heb je zo uitgelezen. Goed voor dagjes uit met leesgoed in de rugzak.
En dan heb ik het nog net over In het licht van wat wij weten van Zia Haider Rahman, waarvan ik weken geleden de eerste pagina's las, maar dat andere verhalen voor moest laten gaan. Een echt nachtkastje-boek, veel te zwaar om mee te nemen. Hoop eraan toe te komen voor de lieve leenster het terug wil.

The Little Red Chairs heb ik nog niet uit - ik vrees dat het moet wachten op het volgende reisje maar ik lees het beslist uit, want het begon veelbelovend broeierig, met de aankomst van een vreemdeling in een slaperig Iers dorpje.
Terug thuis heb ik me vervolgens verdiept in Anna van Niccolò Ammaniti, en vervolgens kwamen er drie boeken ter beoordeling ('graag vóór 1 juli') en stortte ik me op het eerste daarvan, een soort Oom Jan leert zijn neefje schaken over filosofie, en vervolgens op het tweede, een volstrekt zouteloos fantasieverhaaltje over maanreizende zussen. De Rode mens moest maar even wachten.

Het is alsof ik in mijn hoofd voortdurend van kamer naar kamer wandel. Iedere kamer bevat een totaal andere stem in een ander landschap en een andere sfeer. Ik moet iedere keer even omschakelen: wie spreekt hier nu weer.
Als vanzelf komen er onlogische verbanden. Dat is geen opzet, maar het gevolg van wisselende vertellers.
Dus wordt het armetierige dorp van de fikser een pieplein beetje verlengd in het ook niet heel bloeiende dorp in Ierland. Verder houdt het op, want hoofdpersoon Yakov Bok lijkt waarachtig niet op de geheimzinnige onbekende die het dorp intrekt als therapeut. Hoewel, die man draagt een lange zwarte jas en in de omgeving van de fikser zijn ook heel wat lange jassen... En o ja, de bureaucratische Russen die in The Fixer rondstappen lijken wel erg op de apparatsjiks die in Het einde van de Rode mens rondlopen.
Natuurlijk, ik houd een en ander wel uit elkaar. En Anna spoorde met geen enkel ander verhaal.
Inmiddels lees ik weer netjes boek na boek, in plaats van meerdere tegelijk. Al moesten die drie te beoordelen boeken er even tussendoor en zou het zomaar kunnen dat ik de Rode mens even laat wijken voor Klein Duimpje.



vrijdag 17 juni 2016

Goden en kinderboeken

'Comment faire avec Dieu?' staat op het omslag van La revue des livres pour enfants 288 (april 2016) en dat stelde me eerst wat teleur. Slechts één god? Er zijn er toch vele? Maar realistisch is het wel. Het gaat immers in Europese kinderboeken als het om goden gaat doorgaans over één god, of dat nu de Christelijke (meestal) of Islamitische (heel soms) of Joodse (nog zeldzamer) is. In dat opzicht verschilt de Franstalige jeugdliteratuur niet van de Nederlandstalige of de Engelstalige (de bron van veel vertalingen in zowel het Nederlands als het Frans).
De redactie leidt het dossier als volgt in:

Nous aurions pu choisir sujet plus tranquille, mais impossible de trouver sujet plus nécessaire. Entre laïcité et fait religieuz, tous les acteurs du livre pour la jeunesse de posent mille questions. Des questions complexes que la société nous renvoie en un écho cacophonique et violent. Tant pis, nous traiterons des petits lapins dans l'album jeunesse un autre fois.

Ofwel: we hadden een rustiger onderwerp kunnen kiezen, maar onmogelijk een nodiger. Tussen wereldse en religieuze zaken stelt al wie zich met het kinderboek bezighoudt duizend vragen, ingewikkelde vragen waarop de samenleving ons een kakofonische en gewelddadige echo levert. Jammer, maar de konijntjes in het prentenboek behandelen we een andere keer.

Meestal beslaat hun dossier-inleiding een hele pagina, de beknoptheid is opvallend, alsof de redactie zich verder maar stil houdt.




Het dossier bevat:
- een interview met Susie Morgenstern,
- een artikel over religie in de jeugdbibliotheek. ('De Franse staat mag zich ver houden van religie, de samenleving doet dat niet en daarmee moet de bibliotheek rekening houden.')
- non-fictie over relidies.
- 'Remède à l'islamophobie': remedie tegen islamofobie, een interview met Mansour Mansour, uitgever bij Al Bouraq.
- oude verhalen en hun band met religies.
- 'Qu'avons-nous besoin de mythes?', hebben we behoefte aan mythes.



La revue des livres pour enfants 288 (april 2016). ISBN 978 2 35494 070 6, ISSN 0398 8384. Prijs per nummer € 15,-, prijs abonnement (Europa) € 67,-.

                                              

Jiddisch spreekwoord: als iedereen in dezelfde richting zou lopen, zou de wereld kantelen. (Besproken nummer, p. 104, bij het interview met Susie Morgenstern)








dinsdag 14 juni 2016

Nachtmerrie met hoop aan de voet

Waar te beginnen, waar te eindigen?
Allereerst: heb geduld, het eind is meesterlijk. Wie zich in de eerste fase van Anna van Niccolò Ammaniti afvraagt: waar gaat dit heen, wil ik echt doorlezen, kan ik alleen maar aanraden: doen! Alle hoop in een stel sportschoenen, het is volstrekt geloofwaardig, en tegelijk ironisch en ontroerend, juist na alle ook ontroerende maar ook treurigstemmende taferelen die eraan vooraf gaan.

Het zijn niet alleen de bendes jonge kinderen, beschilderd met strepen en gewapend met stokken of speren, die me bij het lezen van Anna aan zowel Lord of the Flies (Heer der vliegen) van William Golding als Memoirs of a Survivor van Doris Lessing deden denken. Ook in Lord of the Flies proberen kinderen te overleven, wat leidt tot tragische gebeurtenissen. Alleen doemt er in Anna géén reddende volwassene op.
Ook de Picciriduna (zie o.a. p. 134) wekte herinneringen in me op aan de varkensschedel in Lord of the Flies. Ook een soort afgodsbeeld, wel ietsje groter:

Het was gemaakt van houten latten die met elkaar waren verbonden door touwscharnieren. De borstkas leek op de romp van een schip en het bekken had een gat in het midden. Afgezien van het halve linkerbeen en de rechterarm, die nog niet af waren, was het helemaal bekleed met beenderen. Aan de bovenarmen hingen bovenarmen, aan de dijbenen hingen dijbenen, sleutelbeenderen aan de sleutelbeenderen. Maar het verbluffendst was de schedel, die was samengesteld uit schedels die spiraalsgewijs waren gerangschikt. De wervelkolom was een mozaïek van wervels. De beenderen, die vrij konden bewegen, tikten tegen elkaar, dansend in de wind. (p. 134)

Ik heb de vertaling gelezen. Kan niet anders, mijn Italiaans is niet goed genoeg om het origineel te lezen. Hoop dus maar dat Etta Maris de juiste toon heeft getroffen.
In ieder geval nam ze de goede beslissing om namen niet te vertalen, en de drie flarden van Italiaanse liedjes wel.
Slechts één kanttekening: op p. 251 laat ze een jongetje en een hond 'op handen en voeten' over een boomstam kruipen. Wel eens een hond op handen en voeten zien kruipen? Benieuwd wat hier in het Italiaans stond (carponi?).

Wat gebeurt er in dit verhaal?
De wereld is getroffen door een virus dat alle volwassenen doodt. Op Sicilië ziet Anna haar ouders verdwijnen en haar moeder laat haar een schrift met goede raad na en het dringende verzoek goed voor haar kleine broer Astor te zorgen. Een tijd lang weten ze te overleven in moeders woning (haar ouders leefden gescheiden hoewel niet in onmin), maar uiteindelijk moeten ze op pad, op zoek naar voedsel en andere zaken. Op het eiland hebben kinderen zich gegroepeerd in bendes en Astor wordt meegenomen door een van die bendes. Met veel moeite en met hulp van Pietro, de solist die zich aangetrokken voelt tot Anne en op zoek is naar een paar schoenen die volgens hem magische kracht hebben, weet ze Astor weer terug te krijgen.
Volgt een zwerftocht over het eiland (haar moeders huis is inmiddels geplunderd), met als doel het vasteland te bereiken, want misschien zijn daar nog Grote Mensen die iets voor hen kunnen betekenen. Pietro sterft (hoe vertel ik niet), maar Anna en Astor weten het vasteland (Calabrië) te bereiken.

Dit is een schamele samenvatting, van het soort dat je geeft als je je gedwongen voelt summier te blijven. Dat voel ik me, want bij lange samenvattingen ebt de aandacht weg. Hoe langer de samenvatting, hoe meer hij lijkt op een slechte bewerking van het verhaal.
En het einde laat ik open.

Waar gaat dit verhaal over? Wat maakt het boeiend?
Zoals ieder goed verhaal gaat het over dood en verval en daartegenover sprankjes geloof, hoop en liefde. Niet minder dan dat. Het is een vondst om het leven niet pakweg tachtig maar zo'n vijftien jaar te laten duren. Wat gebeurt er dan? Niemand krijgt de kans volwassen te worden - en wat doen de kinderen, vooral zij die net de kindertijd voorbij zijn, de dood dus tegemoet zien in de vorm van de eerste rode vlekken? Het verval is prachtig deprimerend beschreven. Niets werkt, alles is overwoekerd en overal liggen lijken. De verteller zit dicht op de huid van de hoofdpersonen, overwegend Anna, een paar passages Astor en Pietro, maar houdt tegelijk afstand. Zo wordt Anna soms aangeduid als 'het meisje' en Astor als 'het jongetje'.
Daartussen proberen de kinderen samen met elkaar en vooral ten koste van elkaar overleven. Intrigerend vond ik te overdenken wat dat doet met het gangbare beeld van het kind, zoals ook gold voor Lord of the Flies. Nee, dit is geen Kruistocht in spijkerbroek en al helemaal geen Kinderkaravaan. Het is dan ook niet bedoeld voor de jeugd, zou de uitgever zeggen. Dat neemt niet weg dat het goed te doen is voor lezers van twaalf en ouder die al wat leeservaring hebben. Ik zou wel willen weten wat veertienjarigen van dit verhaal vinden. Het zal ze niet onberoerd laten.
Neem nou dit citaat, op p. 247, we zijn bijna aan het eind van het verhaal, net na Pietro's dood:

Het was vier dagen geleden dat Anna en Astor Cefalú achter zich hadden gelaten.
Voordat ze vertrokken, hadden ze Pietro's lijk met touwen de weg op getrokken, op een boodschappenkarretje geladen en naar het strand gebracht. Ze hadden een gat in het zand gemaakt, hem daarin begraven en er een omgekeerd bootje overheen gelegd.
Zo nu en dan draaide Anna zich nog om om te kijken waar hij was, maar achter haar waren alleen Astor, die haar met slepende voeten volgde, en Knuffel, die in de berm van de weg snuffelde.
Dan pakte ze het hangertje vast en kneep erin tot de punten van de zeester in haar vlees priemden.
Pietro was in haar ontploft en duizenden scherpe scherfjes stroomden door haar aderen en verscheurden haar vlees.
Nu begreep ze wat liefde was, dat iets waarover zoveel gesproken we€rd in mama's boeken.
Je weet pas wat liefde is als ze het van je afpakken.
Liefde is gemis.
Zonder Pietro was de wereld opnieuw bedreigend geworden en de stilte die haar eerst gezelschap hield, maakte haar nu hoorndol en verteerde haar. De manier waarop hij was doodgegaan, de lange doodsstrijd die hij had moeten ondergaan, was zo stom, en het lukte haar niet daar de zin van in te zien.

Er valt meer moois te citeren, maar dat zal ik niet doen. De meeste indruk op mij maakte het einde. En zoals gemeld, dat wil ik niet verklappen.


                                                              Anna

Niccolò Ammaniti. Anna. Lebowski, 2016. Vertaling Etta Maris. ISBN 978 90 4882 841 8.



dinsdag 26 april 2016

Al Capone leeft

Soms heb ik zo'n droom waarvan bij het wakker worden eerst nog wat beelden blijven hangen, details, maar waarvan snel alleen een sfeer overblijft, een stemming, en het laatste beeld. Ik wou dan dat ik een camera'tje in mijn hoofd had dat die droom voor me vastlegde voordat-ie verdween.
Ik merkte onlangs dat dit ook met een verhaal kan gebeuren dat ik las en weglegde om later te bespreken.
Gevaarlijk.
Dat 'later' bleek enkele maanden te worden, met een reis ertussen.
Het boek lag op een stapeltje zaken om nog iets mee te doen en onlangs pakte ik het van die stapel. Nu toch eens lezen en bespreken...

Lezen? Al bij het eerste bladeren herinnerde ik me dat ik het al gelezen hád en het zat vol ezelsoren en hier en daar een potloodstreepje. Met nog wat bladeren kwam het verhaal terug, maar onvolledig. Er zat niets anders op dan het nóg eens te lezen.
Net als ik wou dat ik sommige (niet alle!) dromen nóg eens zou dromen, zo bleek het herlezen van De een na laatste dood van het meisje Capone van Isabel Hoving de moeite waard. Maar toch...

In het algemeen houd ik van verhalen waarin spaarzaam met woorden wordt omgesprongen. Uitgebeend proza, tegen het poëtische aan. Zoiets als De Hemel, net genomineerd voor de Woutertje Pieterse Prijs. Geen woord teveel, dat vind ik doorgaans een compliment.
Maar ja, wanneer is een woord teveel?
De een na laatste dood van het meisje Capone is een barok verhaal, geschreven in een barokke stijl, en het is ook nog een toekomstverhaal, niet het soort verhaal dat bij wijze van spreken om de hoek zou kunnen plaatsvinden. Dat barokke ligt 'm zowel aan de ongelofelijk ingewikkelde plot als aan de verteller: Ewa zelf. Ze noemt zichzelf niet voor niets een 'flapuit'.
Herinnerde ik me dat het me bij eerste lezing niet stoorde, bij herlezen ging het me een beetje in de weg zitten. Zoals vaker in verhalen waarin een tienerhoofdpersoon vertelt, is een meisjesdagboek-achtige stijl toegepast. Nog afgezien van het risico dat zo'n stijl over tien jaar verouderd aandoet, doemt zo nu en dan het verlangen op naar een afstandelijker verteller, die zuiniger met woorden is.

Toch blijft het een interessant verhaal. Dat ligt deels aan de hersenspinsels van Ewa, deels aan de fantastische krullen van de intrige, die ons naar de meest bizarre taferelen leiden, maar vooral aan de lugubere plot, die ons uitzicht biedt op een wereld waarin de menselijke geest nog meer wordt beheerst door machthebbers dan nu al het geval is. Rupert Murdoch zou er zijn vingers bij aflikken, net als de staf van Vladimir Poetin.
Die hersenspinsels van de impulsieve tiener Ewa zijn op zich niet zo interessant, maar wel de volkomen vanzelfsprekendheid waarmee allerlei apparaten en verschijnsels worden genoemd die wij (nog) niet kennen. IJzeren consequentie van de auteur om geen enkele verklaring te bieden. Het is er gewoon, van tik tot gast, van box tot holo. Als je niet anders gewend bent, zoals Ewa, dan hoef je dat ook niet uit te leggen. De vraag blijft alleen aan wie ze dat allemaal vertelt, tot en met haar (bijna) laatste dood.
Het antwoord op die vraag is: aan ons. Nogal wiedes. Soms spreekt ze ons zelfs rechtstreeks aan.

En toen, snap je, toen begreep ik ineens alles. (p. 335)

(Dacht ze...) Maar met Ewa als verteller heeft het verhaal dezelfde zwakte als al die andere dagboek-achtige verhalen. Ik zit niet steeds te wachten op dat tiener-achtige getater en gesnater en al die quasi-coole uitdrukkingen (chill!).
Aan het eind komt er overigens wél even een andere (onbekende, alwetende) verteller, en dat levert een sterk staaltje gothic novel op. Had díe verteller vanaf het begin het woord gegeven, dacht ik soms...

Blijft die plot over. Die is zoals gezegd erg ingewikkeld. Heel in het kort dan.
De zestienjarige Ewa Capone (voluit Ewa Liberia Anastasia Capone, zie p. 40) rent in 2099 door de straten van Arnhem, op de vlucht voor twee mannen die haar proberen te vermoorden. Ze vlucht een deur in. Die blijkt de ingang van The Joy of Giving, een instituut waar mensen gedwongen hun organen, emoties en herinneringen afstaan. Als ze zich inschrijft, houdt The Joy haar achtervolgers tegen. Ewa sputtert, maar heeft geen keus. Ze krijgt echter nog een uitweg. Men verwijdert haar angstemotie en verkoopt haar door aan het bedrijf Wreck, officieel een opruimbedrijf, maar eigenlijk een gestrand voertuig ('engelenschip') waarin uiterst krachtige energiesterren in vervoerd werden en die zijn nu zoek. De baas van Wrech, ingenieur Gun, tracht die sterren terug te krijgen en heeft daartoe een wonderlijk gezelschap verzameld. Samen met Ortiz, een wat duistere jongen met goudbruine ogen, en haar geliefde hond Mazzie (die ze van 'thuis', Arnhem, heeft opgehaald) moet ze op pad. Ze worden belaagd door allerlei organisaties: PUT (Purification Taskforces, die ontspoorde jongeren vangen om ze te hersenspoelen of te doden), ARK, de organisatie die Wreck er ooit op uitstuurde, en diverse andere organisaties en groepen. Als ze bijna alle sterren hebben, keren ze terug naar Wreck, maar dat blijkt gevonden en geplunderd en bijna iedereen is dood, ook Gun. Ze vertrekken met een door Ortiz in elkaar gezet vliegtuigje en proberen een oord te vinden waar ze hun sterren veilig kunnen afleveren. Nu worden ze nog meer belaagd, o.a. door Ewa's eigen familie, en ze raken elkaar ook kwijt. Op het laatst lijkt dat afleveren bijna te lukken. Bijna... Uiteindelijk blijkt de verstekelinge Foxy, die ze uit een Alpenstaatje hebben overgehouden, een bloedmooi meisje met vossenoortjes en vossenstaart, toch een verraderlijke rol te spelen.

En dit alles (ik heb heel veel verwikkelingen weggelaten!) speelt zich af in een wereld waarin staten nog maar weinig macht hebben, waarin Europa grotendeels overstroomd is (veel mensen hebben zich teruggetrokken in de 'Alpenstaatjes'), waarin herinneringen en emoties gelezen en gekocht kunnen worden, en waarin wat nu virtuele werkelijkheid (virtual reality) heet dusdanig is doorontwikkeld dat je soms niet weet wat echt of virtueel is en waarin hologrammen ('holo's') tussen echte mensen in lopen en nog veel meer wonderlijks.

Wie dit verhaal gaat lezen, kan het best een blaadje aantekeningen maken en lijntjes trekken. Wie is wat, welke organisaties zijn er, hoe zijn de verbanden. De kans is anders groot dat je onherroepelijk de weg kwijt raakt en veel moet gaan bladeren.

Nog iets over de omslagillustratie. Dat is een foto van Dmitry Laudin (zie ook hier, hier en hier), en ik herinner me een ander boek, van een Israëlische auteur, dat zo'n soort foto op de voorkant had. Ik heb zonder resultaat gezocht (o.a. met Google beeldzoeken) naar titel en auteur en meen me te herinneren dat de hoofdpersoon een ongeveer veertienjarig meisje was, dat een bepaalde levensfase doorliep. Als me de titel ooit te binnen schiet (of me gemeld wordt), vermeld ik die alsnog.



Hoving, Isabel. De een na laatste dood van het meisje Capone. Querido, 2015. ISBN 978 90 4511833 8. 518 p.




zaterdag 9 april 2016

Namita gaat haar eigen weg

Meestal vraag ik zelf de boeken aan die ik wil bespreken.
Gelukkig maar, zo word ik niet bedolven onder ongevraagd toegestuurde boeken, zoals toen ik voor NRC Handelsblad recenseerde, lang geleden (1981-1982).
Sommige uitgeverijen bleven zelfs nog boeken sturen lang nadat ik middels een net briefje had laten weten niet langer recensent voor die krant te zijn. Maar ja, dat was in de tijd dat de welvaart almaar leek uit te dijen.

Daardoor blijft op dit blog veel onbesproken en dat is maar goed ook, want ik wou er geen dagtaak van maken. Wie recensies van jeugdliteratuur wil vergelijken, bijvoorbeeld op zoek naar een lijstje titels rond een thema, raadplege Jaap Leest, Leesplein, Kjoek, Leesfeest e.v.a., zie ook hier. Nog beter is misschien om een bezoek te brengen aan een grote bibliotheek of een kinderboekwinkel.

Soms belt een uitgever op, een tijd geleden bijvoorbeeld Maaike Sigar van Middernacht Pers. Of ik Namita zoekt haar plek wou bespreken. Ik zei ja, want ik herinner me van deze kleine uitgeverij bijzondere prentenboeken.
Ik ontving en las het boek - en legde het weg. Want tja, wat zou ik hierover schrijven? Als je zo nadrukkelijk een boek onder de aandacht krijgt geschoven, is het net alsof je een cadeautje afkraakt als je niet helemaal enthousiast bent.
Goed, toch maar een recensie, want dat heb ik beloofd.

Namita zoekt haar plek van Mar Pavón & Maria Giron is een lief prentenboek, met een goede bedoeling en dito boodschap. Het is, blijkt op de colofonpagina, 'voor alle meisjes in de wereld die op een plek wonen waar ze onderdrukt worden en die een leven leiden dat niet voor hen bestemd is'.
Oef.
Ik ga me meteen afvragen of ik wel een leven leid dat voor mij bestemd is. Is zo'n leven dan voor een ander bestemd? Worden er levens geleid die voor niemand bestemd zijn? Wie regelt dan eigenlijk die bestemmingen?
En zijn er nog andere meisjes dan de 'meisjes in de wereld'?
Ik ga me dus ook meteen afvragen wat er stond in de oorspronkelijke versie, want dit boek is vertaald (door Marjolijn Geluk en Otje Keizer), uit welke taal staat er niet in maar na wat zoekwerk blijkt dat (waarschijnlijk) Catalaans of (misschien) Spaans.
De tekst in het Catalaans luidt: 'A totes les nenes sotmeses, que ocupen llocs imposats i viuen cestins aliens'. Nou is mijn Catalaans niet sterk, maar in het Italiaans is een cestino een mand, dus tenzij er een zetfout in die Catalaanse uitgave is geslopen en er destín of destí had moeten staan (bestemming) stond er iets anders dan in de Nederlandse vertaling. De Spaanse tekst luidt: 'A todas las niñas sometidas, que viven destinos ajenos', en dat bevestigt e.e.a.
Dan nog: een vreemde (of oneigenlijke) bestemming is iets anders dan een bestemming die niet voor jou of mij is. En terecht stond er in het origineel niet alle 'meisjes in de wereld' maar gewoon totes les nenes dan wel todas las niñas, alle meisjes.

Namita woont met haar hele familie in één huis.
Ze zoekt haar eigen plek.

Die eigen plek blijkt dan weer de slaapkamer waar ze bedden moet opmaken, dan weer de keuken, waar ze eten moet klaarmaken, dan weer bij haar broertjes en zusjes, waar ze op moet passen, dan moet ze weer boodschappen doen, ze wordt voor van alles ingeschakeld, en opa stuurt haar naar school. Namita blij, maar ze moet de 'klassen schoonmaken'. Dat doet ze ook, en daar vindt ze een boek.
Thuis is de hele familie present




 en Namita 'zoekt nog steeds haar plek'. Die is bij neef Anno, want ze moet met hem trouwen. 'Wees dankbaar, want dan hoef je de school niet meer schoon te maken.'
Namita luistert nu niet en op een dubbelpaginaplaat zien we haar op een boomtak zitten, met een boek. De boom staat in bloei.
Op de volgende bladzijde 'zoekt ze nog altijd haar plek'.
Ze hoort een stemmetje dat zegt: 'Jouw plek is hier op school.'

'Moet ik blijven schoonmaken?'
'Ja. Maar hier zul je ook vleugels krijgen om te kunnen gaan waarheen je wil.'

De dubbelpagina-afbeelding toont rechts een stapel boeken met een vogeltje erop. De boodschap van het verhaal is dan allang duidelijk. Namita 'gaat haar eigen weg', dankzij de boeken.



Ja, dat is natuurlijk een hele sympathieke boodschap en niet voor niets werd dit boek vorig jaar uitgebracht ter gelegenheid van de jaarlijkse Dag van de Rechten van het Kind (20 november). Wie op school eens aandacht wil besteden aan die rechten kan dit prentenboek goed als kapstop gebruiken. Artistiek-literair misschien geen topper, maar zeker niet verkeerd. Aanschaffen dus, voor die schoolbibliotheek.



Pavón, Mar, & Maria Girón. Namita zoekt haar plek. Middernacht Pers, 2015. ISBN 978 90 72259 81 3. Oorspr.: Un lloc per a la Rula. Spaanse uitgave: Rula busca su lugar, Tramontana, 2015.

maandag 4 april 2016

Onze taal z'n eigenaardigheden

Gaston Dorren is een journalist die zich toelegt op taal. Hij houdt een blog bij, publiceert artikelen, bijvoorbeeld in Onze taal, en publiceert van tijd tot tijd een boek. Een daarvan, Taaltoerisme, heb ik 2013 besproken. Een recente uitgave, Vakantie in eigen taal, lag lang op mijn nachtkastje en bijna iedere avond las ik enkele stukjes.
Het is de beste manier om dit boek te lezen. Niet dat je ervan in slaap valt, maar het is geen boek om in één adem uit te lezen.
Stukje voor stukje belicht hij een facet van het Nederlands (inclusief dialecten) waarvan hij hoopt dat de lezer er nog nooit bij had stilgestaan. En dat klopt wat mij betreft grotendeels.
Hoe je van jeu de la poule bij carpoolen komt, waar bek af vandaan komt, of de kerk een hij of een zij (of een het of een die) is, of 'mijn ex stuurde me een bericht dat ze was verloofd' correct is, over de uitspraak (uitspraken) van pallet, palet en pellet, de afstanden van dialecten tot het 'Algemeen Nederlands', de grammatica van gebarentaal, het verschil tussen af in afwerken en afvoeren en zulke zaken. (A propos, afmaken en afmaken, afbouwen en afbouwen: zoek de verschillen.)
Amusante weetjes, die soms een nieuw licht werpen op onze en andere talen.

De stukjes zijn verdeeld in groepen: 'Schrijven en lezen', 'Woorden', 'Spraakkunst', 'Klanken', 'Meer dan Nederlands' (dat relatief vaak over Limburgs gaat, moedertaal van de auteur) en 'Toegiften'. En zelfs een bescheiden kleurenkatern, met o.a. dit kaartje, met excuses voor de rechterzijde (hoewel een pocket is het stevig gebonden):



Het zou wat mij betreft zonder de namen een voorstel voor een nieuwe Europese vlag mogen worden. Mooi kleurig. En misschien gespiegeld, dus zoiets:




Dorren, Gaston. Vakantie in eigen taal; wat er mooi, gek en fout is aan ons Nederlands. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2016. ISBN 978 90 253 0267 2.

                                                          

vrijdag 1 april 2016

Bibliotheek op school helpt

Het is zeer te begrijpen dat de redactie van Lezen en Stichting Lezen blij waren met het onderzoek door Adriana Bus en (vooral) Thijs Nielen naar wat basisschoolleerlingen van lezen vinden en naar de effecten van een goede bibliotheek op school. Thijs Nielen promoveerde ermee op 26 januari dit jaar. Van de dissertatie, Aliteracy: Causes and Solutions, is een verkorte Nederlandse uitgave verschenen: Onwillige lezers: onderzoek naar redenen en oplossingen (Eburon). Voor liefhebbers van schermlezen is het gratis te lezen of te downloaden bij Stichting Lezen. Misschien kom ik er nog toe om het te bespreken.
Overigens is het proefschrift ook online beschikbaar.

Blij dus, want, zo blijkt uit een artikel door Eva Gerrits in Lezen 2016-1, een 'ruime, actuele, aantrekkelijk gepresenteerde boekencollectie' helpt kinderen over hun 'leesangst' heen.
Onder leesangst verstaan de onderzoekers, als ik het goed begrijp, weerzin tegen lezen. Dat is oud nieuws: als je moeite met lezen hebt, ontwikkel je een afkeer van lezen, ga je dus minder lezen, en daardoor wordt het lezen steeds moeilijker. Het echte nieuws is dus dat het helpt om zulke kinderen te begeleiden, en daarvoor heb je goede boeken nodig. Bibliotheek op school is een van de meest succesvolle projecten tot nu toe.

Wie weet is het effect niet direct meetbaar, maar wel merkbaar. Gerlien van Dalen, directeur Stichting Lezen, verwelkomt dat het Platform Onderwijs 2032 naast meetbaar als toetsuitkomst ook merkbaar toelaat. Maar ja, hoe meet je merkbaar... Die vraag stelt ze niet.




Verder in dit nummer veel nieuwtjes en interviews, en o.a. ook aandacht voor de verjaardag van Tom Poes. Die werd namelijk op 16 maart 75 jaar. Zijn verjaardag werd op 20 maart gevierd in het Muiderslot. Ik gun het de Toonder-adepten van harte, maar Tom Poes was natuurlijk niets zonder Olivier B. Bommel. Die verscheen 12 juli 1941 op het toneel.

In het vorige nummer van Lezen, 2015-4, stond overigens een mooi interviewtje met Ted van Lieshout. En Ted zou Ted niet zijn als-ie het niet integraal op zijn blog had gezet. Zie hier en blader naar 21 december 2015.