Zoeken in deze blog

woensdag 24 mei 2017

Het model Krikhaar-Ros

Op 7 april vond in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, ergens op een bovenzaal, de jaarlijkse studiemiddag plaats van IBBY-Nederland.
IBBY staat voor International Board on Books for Young people, een organisatie met 74 nationale secties, zoals IBBY-Nederland (ook op Facebook).
Van IBBY kun je niet individueel lid zijn, van (stichting) IBBY-Nederland kun je begunstiger ofwel IBBY-vriend worden, voor minimaal € 20,- per jaar.

Die middagen zijn een poging om onderzoekers met elkaar in contact te brengen en de gelegenheid te geven om belangstellenden in te lichten over hun bezigheden.

Ik heb niet geteld, maar de zaal was redelijk vol en ik schat dat er ruim honderd aanwezigen waren.
Zij hoorden
- Monica Soeting over haar werk aan de biografie van Cissy van Marxveldt. Ze promoveerde op 23 januari met deze biografie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het boek verscheen bij Atlas Contact. En als ik er iets van heb opgestoken is het dat Cissy ofwel Setske de Haan een regelrechte snob was.
Monica Soeting in actie.
- Frauke Pauwels over het beeld van exacte wetenschappen in jeugdliteratuur.
- Ellis van Miert over vrouwen en hun relaties in fantasy-verhalen voor jongeren (young adult fantasy). Zij haalde aan de Universiteit van Gent in 2016 haar master met From Verses to Epics. How Madeline Miller's "The Song of Achilles" and Margaret Atwood's "The Penelopiad" Challenge the Forms of Hegemonic Masculinity Found(ed) in Homer's Epics, maar wist evengoed over vrouwenrollen in fantasy wel iets te vertellen.

Ellis van Miert aan het woord.

- Sanne Parlevliet over het beeld van Nederland en de Nederlandse identiteit in jeugdliteratuur van 1848 tot 2010. Gezien het hedendaagse gedoe rond identiteit (ik citeer graag Maxima: 'dé Nederlander bestaat niet', o jee, wat kreeg ze over zich heen) kan dit een interessant onderzoek worden.
- Bea Ros over 'het model Krikhaar-Ros op de schop'. Ook fijn. Bea Ros publiceerde in 1986 samen met Margot Krikhaar Een spannend boek. Warm aanbevolen!, een doctoraalstudie naar recensies van jeugdliteratuur tussen 1965-1984, waarbij ze en passant ook een soort beoordelingsschema maakten.
Dat onderzoek is ze nu aan het overdoen, met een breder corpus aan recensies en versere achtergrondliteratuur. En uiteraard gaat ook dat beoordelingsschema op de schop.

Bea Ros.


De opzet van die middagen is zo dat elke spreker een referent krijgt toegewezen, die start met vragen. Vervolgens kunnen anderen vragen stellen. En Helma van Lierop-Debrauwer (hoogleraar in Tilburg en voorzitter van IBBY-Nederland) fungeerde als gastvrouw, bijgestaan door de immer actieve secretaris Toin Duijx.
Dat werkt goed. Zo krijgt iedere spreker in elk geval enkele relevante vragen ter beantwoording voorgelegd.
En dan is er nog de afsluitende borrel voor de onderlinge contacten e.d.

Een aangename en nuttige middag.



dinsdag 23 mei 2017

De vuurtorenwachter en zijn dochter

Een prettig wondertje: bekende en ervaren illustratrice waagt zich aan het schrijven van een verhaal - en het is meteen bijzonder.

Annet Schaap debuteerde in 1988 met illustraties voor Christine NöstlingerJoppe, Julia en Jericho (oorspr. Jokel, Julia und Jericho, 1983). De rest van haar imposante werk hoef ik niet op te sommen, dat doet ze zelf, of zoek anders in de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek, die 325 titels vermeldt.

Van haar website valt te leren dat Lampje niet haar eerste schrijfsel is. Zie deze notitie uit 2015:

'Van 1996 tot 1999 studeerde ik aan de Schrijversvakschool ‘t Colofon in Amsterdam. In die tijd maakte ik een aantal jeugdtheaterstukken, liedjes en schreef het libretto van een kinderopera.

Om allerlei redenen schreef ik daarna een hele tijd niet, of alleen in m’n dagboek. Sinds dit jaar ben ik weer begonnen met dichten en schrijven. Als opsteker won ik meteen de Willem Wilmink Gedichtenprijs!'



Terzijde. Die Willem Wilminkprijs (voluit Willem Wilmink Beste Kinderlied Prijs) kent opmerkelijke winnaars en juryleden. Verbazingwekkend dat deze prijs niet is opgenomen in de prijzenlijst van Leesplein. Als die redacteurs vinden dat liederen geen literatuur zijn, vergissen ze zich. Poëzie, ook gezongen poëzie, is vermoedelijk de oudste vorm van literatuur.
Helaas wordt de website van de in 2010 voor het eerst uitgereikte prijs slordig bijgehouden, o.a. ontbreekt een lijst winnaars.



Annet Schaap schreef een verslag van de reis die ze met man en kind door Noord-Amerika maakte. Dat toont enige schrijflust, maar het lijkt me vooral van persoonlijk belang en foto's domineren.



Toch een verrassing dus dat ineens Lampje in de winkels lag. Een verhaal - en meteen een sterk verhaal.
Het is zo'n verhaal dat zich afspeelt in de schemerwereld tussen hier en ginds, tussen wat wij 'onze wereld' plegen te noemen (zij het dan een eeuw of wat geleden) en een wereld die daarop lijkt maar toch net iets anders is. Zo'n wereld waarin schijn en wezen door elkaar lopen. Geen fantasy, alsjeblieft niet, ook geen sprookje, geen koningen, prinsessen, elven en trollen e.d. Wel een vuurtoren waarvan het licht met de hand wordt bediend, een schip met oude piraten, een kermis met gedrochten en een admiraal die zich te paard voortbeweegt. En zeemeerminnen.
Niet alleen daarom moest ik aan Hans Christian Andersen denken, aan zijn zeemeermin die uit liefde de zee verliet - en daarvoor een standbeeld kreeg in de haven van Kopenhagen.
Zijn eventyr lijken vaak ook in 'onze wereld' te spelen, toch gebeuren er zaken die een groot beroep doen op de verbeelding van de lezer - en soms van personages in zijn verhalen, neem bijvoorbeeld 'De nieuwe kleren van de keizer', waarin iedereen uit alle macht zijn best doet om zich de keizer aangekleed voor te stellen, op die paar kinderen na. Of 'Het meisje met de zwavelstokjes', dat zich warmend aan lucifers een mooie wereld voorstelt - en sterft. Of 'De tinnen soldaat', dat een beroep doet op het verbeeldingsvermogen van de lezer - speelgoed komt tot leven, maar blijft toch speelgoed en de soldaat eindigt met zijn liefde (de ballerina) in het haardvuur.



Terug naar die zeemeermin (uit 'De kleine zeemeermin'), want er zijn parallellen. Ook in Lampje verlaat een zeemeermin uit liefde de zee - en wordt verstoten. Ook deze zeemeermin heeft grote moeite met lopen. Maar deze zeemeermin raakt zwanger! (Hoe dat in zijn werk ging wordt niet verteld.) Ze baart een zoon met zeemeermin-trekjes.
Lampje komt die zoon tegen als ze gaat werken in het Zwarte Huis. Daar komt ze terecht als haar vader Augustus moet boeten voor een falend vuurtorenlicht, waardoor een schip vergaat. Bij de confrontatie met de sheriff (!) wordt Augustus zo kwaad dat hij met een stok om zich heen mept. Eigenlijk wil hij de sheriff slaan, maar als Lampje 'Hou op!' roept ('met de stem van haar moeder' - twee jaar eerder overleden) slaat hij haar.

Lampje houdt haar hand tegen haar wang. Die gaat straks heel erg zeer doen, dat kan ze al voelen. Maar nu gloeit alles in haar nog van schrik. Ze heeft helemaal het verkeerde gedaan en het verkeerde gezegd. Haar ogen zoeken die van haar vader. Ze wil 'Ik wou juist helpen' zeggen en ze wil dat hij haar aankijkt en haar weer ziet, zoals dat altijd gebeurt, na een uitbarsting. Het kan een half uur duren, of soms een paar dagen. Maar dan heeft hij altijd spijt. Hij zegt het niet hardop, dat gaat nou eenmaal niet. Maar wel met zijn ogen.
Maar voor hij naar haar kan kijken, voelt Lampje een koude hand in haar nek die haar vooruitduwt, haar eigen kamertje in. Juffrouw Amalia. Zo heet ze, ze weet het weer.

Vader wordt opgesloten in zijn eigen vuurtoren, dochter wordt uit huis geplaatst en moet geld verdienen. Ze komt in het Zwarte Huis van de Admiraal, zie zelf op reis is. Het Zwarte Huis herbergt een monster, zegt men - en zegt huishoudster Martha, die haar verbiedt naar de kamer van het monster te gaan.



Het is niet zozeer de intrige die dit een sterk verhaal maakt. Het is vooral de zorgvuldige stijl die de anonieme verteller hanteert. Sober, rustig, filmisch, en soms alsof ze in het hoofd van de personages zit. Maar intussen verschaft ze de lezer wel precies de juiste details om een sterk beeld te creëren.

Nog een staaltje, van Lampje die voor het eerst in haar kamertje in het Zwarte Huis komt.

De hoge houten trap kraakt, de derde deur links kraakt ook. Lampje staat in haar kamertje en kijkt om zich heen. Het is er koud en het ruikt een beetje naar schimmel. Een stoel staat er, een tafeltje, een kast.
Hier moet ze dus wonen. In haar eentje. Zeven jaar. Ze schudt haar hoofd een beetje. Ze kan de gedachte wel denken, maar ze begrijpt hem niet.
Een raam zonder gordijn kijkt uit over de tuin. Een groot overwoekerd bordes ziet ze en daarachter een ontploffing van heggen, struiken, brandnetels en knoestige bomen, die hun takken naar alle kanten uitstrekken. Lampje kan net een klein stukje van de lucht zien. Geen verte, geen zee. Het begint te regenen, eerst zachtjes, dan harder.
Maar er staat ook een bed, een bed van glimmend koper met een zachte witte sprei. Veel zachter en witter dan thuis. Lampje aait erover en slaat hem een eindje open. Voor het eerst sinds ze hier is glimlacht ze een beetje. Zo smetteloos! Zo schoon!
'Ik zal mijn voeten wassen straks,' fluistert ze tegen het bed. 'Dan maak ik je niet vies.'

Let op de details: het kraken, die paar meubels, de 'ontploffing', de takken die zich 'naar alle kanen uitstrekken'; 'geen verte, geen zee', de regen. En dan die 'zachte witte sprei'. Dit is schrijftalent. Ik moet me ervan weerhouden om nog veel meer te citeren.

De verteller volgt doorgaans Lampje, maar soms ook andere personages. Op p. 76 voor het eerst het monster.

Uit zijn torenkamer ziet het monster haar lopen, een wit vlekje tegen het donkere gras. Hij kijkt naar haar tot ze het huis binnengaat en laat zich dan weer op de grond glijden. Wie dat was, weet hij niet, en het kan hem niet schelen ook. Hij heeft honger.

Natuurlijk gaat Lampje op zoek naar dat monster in de torenkamer (een verre echo van Perrault's Blauwbaard-verhaal) en dat levert de kern van het verhaal op. Ga ik dus niet uit de doeken doen.
Zou ik iets van thema's aan het verhaal moeten geven, dan zijn dat 'vaders' (net als Lampje op dat moment heeft het monster een schier onbereikbare en moeilijke vader) en 'gedrochten' of 'afwijkingen'.
Want het monster is niet het enige wezen in dit rijke verhaal dat, om met Mark Rutte te spreken, 'niet normaal' is. Zo heeft Martha een zoon, Lennie, die een forse gestalte paart aan de geest van een hele lieve kleuter en als enige goed kan omgaan met de twee reusachtige honden.

En later in het verhaal komen Lampje en het monster nog  terecht in een kermisattractie, de tent met 'wereldschokkende gedrochten', waar ze een dwerg ontmoeten, een Siamese tweeling, een vrouw met een baard en een zeemeermin in een aquarium.



De clou van wat volgt is dat deze gedrochten eigenlijk geen gedrochten zijn - zoals het monster eigenlijk geen monster is.

Het verhaal eindigt met een ontsnapping en een redding, en hoewel de timing misschien wat rammelt, levert dat een spannende episode op.
Eén citaat er uit, net te weinig om de intrige prijs te geven:

Ze komt hem tegemoet zinken en Vis haast zich erheen. Hij is net op tijd. Toch? Natuurlijk, zo razendsnel, zo razendsnel kan hij zwemmen. Net op tijd grijpt hij de zoom van haar jurk en sjouwt haar naar boven, tilt haar hoofd boven de golven om lucht te happen. Maar ze hapt niet, ze beweegt niet en ziet bleek als een dode.
'Ademhalen, stom kind! Haal nou adem!' sist Vis, en hij schudt haar door elkaar. Maar ze doet gewoon niet wat hij zegt.
Hij bijt haar, hij weet niks anders, en als ook dat niet helpt, sleurt hij haar door het water naar de rots, waar hij haar neer kan leggen en even nadenken. Hij schaaft haar knieën en haar ellebogen als hij haar over de ruwe steen trekt, maar als ze dood is maakt dat ook niks meer uit, natuurlijk.
'Lampje!' gilt hij in haar oor. 'Lampje! Lamje, word toch wakker alsjeblieft!'
Hij kijkt om zich heen of iemand iets kan doen, of iemand hem, haar kan helpen, maar hij kent niemand, in de hele zee niet.



Wees gerust, ze leeft.
Dan heb ik nog de andere rode draadjes in dit verhaal niet beschreven: haar overleden moeder, wier stem ze vaak hoort; Lennie, in wiens hoofd de verteller soms ook kruipt (essentieel op p. 297); Augustus (wat een prachtnaam, clown en keizer) en zijn worstelingen met zichzelf en de rouw om zijn vrouw; juffrouw Amalia (heel in verte ontwaarde ik verre achternicht Mevrouw Helderder); Buck en de 'piraten'; en meer.

Staan er plaatjes in? Niet veel! Vignetten boven de hoofdstukjes, en ieder van de zes delen wordt voorafgegaan door een dubbelpaginaprent. (Aan een van de prenten is bovenstaande illustratie ontleend.) Uiteraard alle van Annet Schaap, evenals de illustratie die de voorkant siert.

Een prachtverhaal.
Voor lezers van tien en ouder, voorlezen vanaf acht.



Annet Schaap. Lampje. Querido, 2017. ISBN 978 90 2037 9, 324 p.




NB. Voorin staan twee citaten. Een uit Die Dreigroschenoper van Bertold Brecht en een uit, jawel, 'De kleine zeemeermin' van Hans Christian Andersen. Dat laatste:

'Ik wil het,' zei de kleine zeemeermin en ze was bleek als een dode.
'Maar mij moet je ook nog betalen,' zei de zeeheks, 'En het is niet weinig wat ik verlang.'

dinsdag 18 april 2017

Armoede en een happy end

Armoede is een relatief begrip. Wie overleeft, kan zich rijk wanen. Wie geen geld heeft om de nieuwste iPhone te kopen, kan zich arm wanen.
Hoe relatief ook, echte armoede schrijnt. Het noodlot ligt altijd op de loer. Doorgaans in de vorm van honger, ziekte en kou. Eerlijk delen hebben mensen altijd als een deugd beschouwd, maar er komt in de praktijk weinig van terecht. Naast deugden zijn er ondeugden als machtswellust en hebberigheid.
En soms is er niets om te delen. Als de oogsten mislukken, is er niets te eten, zo simpel is dat. Het dreef in de 19e eeuw miljoenen Ieren hun land uit, de oceaan over. Het drijft nu miljoenen mensen in Afrika van hun land.

En zelfs als het land juist genoeg opbrengt, kan het noodlot toeslaan. Een gebroken been en geen geld voor een dokter en een ziekenhuis. Een arme boerin in Tessino breekt haar been, net als het dorp ook nog geteisterd wordt door droogte, medio 19e eeuw. De boer ziet geen andere weg dan zijn zoon meegeven aan een ronselaar die magere jongetjes zoekt voor schoorsteenvegers in Milaan. Zoals deze jongens:

 

Zo begint een klassiek verhaal, dat onlangs weer in herdruk is verschenen en mij ter bespreking werd toegestuurd: Levende bezems van Lisa Tetzner. Het verscheen oorspronkelijk als Die schwarzen Brüder in 1940-'41 en de eerste Nederlandse vertaling verscheen in 1951. Het is in feite door haar en haar echtgenoot Kurt Kläber (schrijversnaam: Kurt Held) samen geschreven: Lisa begon het, Kurt schreef het af. Ze woonden toen als politieke vluchtelingen in Zwitserland en Kurt Kläber mocht niet publiceren, daarom verscheen (en verschijnt) het onder haar naam.

Beide auteurs waren zeer begaan met het lot van arme mensen en Kurt Kläber was zelfs lid van de Kommunistische Partei Deutschland - tot 1938, toen hij er wegens het stalinisme uitstapte, volgens Wikipedia. Geen wonder dat de nazi's niets moesten hebben van hun werk, het werd al snel na 1933 verboden en het echtpaar vluchtte naar Zwitserland.

Toch zou een verhaal als Levende bezems in sommige na-oorlogse socialistische, ´revolutionaire´ groeperingen slecht vallen. Want waar bleef de opstand der verdrukten, de omverwerping van de kapitalistische machthebbers? Grote kans dat de auteurs door hen als renegaten zouden worden betiteld. De redding komt immers niet van het rode front, maar notabene van een lid van de gegoede middenklasse, een Zwitserse arts.
Ik heb, moet ik bekennen, niet de moeite genomen om te onderzoeken of dit vermoeden klopt, maar mij staan nog levendig de boekjes voor de geest die in de 70-er jaren voor kinderen verschenen waarin het revolutionair perspectief lokkend wenkte. Verkrijgbaar in boekhandel De Rode Rat e.d. Dat waren geen verhaaltjes waarin een Zwitserse arts arme schoorsteenvegertjes onder zijn hoede neemt.

Waarschijnlijk is het ontbreken van het revolutionaire perspectief nu net de kracht van het verhaal. Want het zou een wonder zijn als die eenvoudige boerenjongens ervan droomden om de macht over te nemen. Ze wilden simpelweg een beter bestaan, een beetje zoals Charley Chaplin (leeftijdgenoot van de auteurs) dat met groot talent schilderde in zijn films Modern Times en The Great Dictator, en zoals eerder Hector Malot zijn Alleen op de wereld (Sans famille, 1878) liet eindigen.
Niks ´sterft gij oude vormen en gedachten´, niks ´nieuwe krachten´ die 'de wereld steunen' en niks ´internationale die morgen heersen zal op aard´´.
De kracht van het verhaal is juist dat de verteller zijn hoofdpersonen niet sterker maakt dan ze zijn. Ze hebben genoeg lef en hart om onderling solidair te zijn, om bijvoorbeeld een goede begrafenis van een van hen af te dwingen. Niet meer, niet minder.
Ze worden weliswaar ´tot ‘t merg en been uitgezogen´, maar ´de rijkaard leeft zelfzuchtig voort´, al is deze ene (betrekkelijke) rijkaard die hen te hulp schiet dan helemaal niet zelfzuchtig. Want zo´n soort opstand zou een energie en vaardigheid vergen die de schrale schoorsteenvegertjes niet hebben en juist dat is geloofwaardig.
Het is ook meer toeval dan wijsheid die ze in de armen brengt van weldoener Casella brengt.

Inmiddels weten we dat het revolutionair elan niet altijd een happy end teweeg brengt. Ik denk met gemengde gevoelens aan wat ik ooit gelezen en gezien heb over de Franse, de Russische en de Angolese revoluties, en nog lees over de Venezolaanse Chavinistische revolutie, om er enkele te noemen. Het gaat te ver om ze louter als tragedie te zien, want veel mensen gingen er zeker op vooruit, maar om ze nu zonder reserve als een groot succes en een sprong vooruit voor de mensheid te betitelen zou mij te rooskleurig zijn. Geen happy end, dus.

  

En een happy end heeft Levende bezems nu juist wel. Alfredo sterft, maar verder komt het met alle hoofdpersonen en zeker met Giorgio heel erg goed en dat gelukkige einde wordt breed uitgemeten. Heel fijn. En wie weet hebben de auteurs dat met opzet gedaan, vermoedend dat juist veel jonge lezers een happy end zeer op prijs stellen. Intussen nemen die jonge lezers dan kennis van wat samen te vatten valt onder het oude maar nog steeds actuele begrip uitbuiting. Het valt zo samen te vatten, maar gelukkig bekommert de verteller zich niet om theorie, het gaat in dit verhaal om mensen, met al hun beperkingen en betere momenten, en dat maakt het sterk.
In 2013 verscheen nog een Duitstalige verfilming, onder regie van Xavier Koller.

Ik las de Nederlandse versie, heb de Duitse niet bij de hand, kan dus over de vertaling van Annie Winkler-Vonk niets schrijven, behalve dat zij een bekende vertaalster was, die meer werk uit het Duits heeft vertaald, o.a. van Johanna Spyri (Heidi) en Kurt Held. De vertaling is voor deze editie nog bewerkt door Suzanne Braam.

Tetzner, Lisa. Levende bezems. Ploegsma, 384 p., ISBN 978 90 216 7719 4. Oorspr. Die schwarzen Brüder, 1940.

De eerste twee afbeeldingen zijn ontleend aan Wikipedia, de andere zijn van George van Raemdonck.



dinsdag 11 april 2017

De Zevensprong

Ingewikkelde gebouwen met trappen en spiegels en verborgen ruimtes, doolhoven, mystificaties, raadsels, kruispunten, dubbele persoonlijkheden, verwisselingen, vreemde streken, spiegelingen, parallelle werelden, het was en is een kolfje naar de hand van de oude meesteres Tonke Dragt. Haar werk zit er vol van.
Haar debuut, Verhalen van de tweelingbroers (1961, 'vrij naar Babinase balladen'), gaat over twee broers, Jiacomo en Laurenzo, die zo op elkaar lijken dat men de een vaak voor de ander aanziet. In dit verhaal zit al een tweesprong, en er zijn allerlei zaken in tweeën. Wie in tijden van verkiezingen eens naar inspiratie zoekt, kan er terecht voor de Eerste en de Laatste Partij. (Voer voor sociaal-democraten.)
(Babina, overigens, is het land van de tweelingbroers. Of het ook lijkt op de bestaande streken in India en Slowakije...?)




In De Zevensprong (1966 of 1967), dat ik onlangs ter bespreking kreeg toegestuurd, is de 'jongeman' die er de hoofdrol speelt naar omstandigheden schoolmeester Frans van der Steg of avonturier Frans de Rode. Bondgenoot Rob is soms Roberto, soms de Brozem. Ze wisselen ter plekke.
Het jaar van verschijnen lijkt me ook een mooie mystificatie. Volgens Tonke's brief aan de lezers achterin en volgens Leopold (imprint in het boek) verscheen de eerst druk in 1967, dus vijftig jaar geleden, volgens de KB en Wikipedia in 1966. 

Tonke Dragt houdt er wel van alles met alles te verbinden, zoals een goede verteller betaamt, maar liefst met veel kronkelingen en doodlopende wegen. Doolhoven zoals het Trappenhuis in De Zevensprong.
Heerlijk.
Vind ik, tenminste. Maar ik ben natuurlijk niet de enige, want ze heeft de nodige waardering gekregen, ook voor De Zevensprong. Het werd door Karst van der Meulen bewerkt tot tv-serie (1982), luisterboek en musical (2004). Er is nog een website met van allerlei, o.a. een fietsroute rond Ruurlo, waar de tv-serie werd opgenomen.

Wat die ingewikkelde gebouwen betreft, daarvan dook het eerste wel op in De Zevensprong, als ik het goed heb: het Trappenhuis. In tal van latere verhalen keerden ze terug, bijvoorbeeld in De Torens van Februari of in Zeeën van tijd, met die mooie Januaraanse Ambassade.
Al die Dragtiaanse verbeeldingsparels zijn beschreven in ABC Tonke Dragt; De werelden van Tonke Dragt, een prachtig boek van Joukje Akveld & Annemarie Terhell (2013).

Zo'n herdruk van een klassieker is fijn, vooral als het verhaal een hele tijd niet verkrijgbaar was. Dat was met De Zevensprong geenszins het geval, naar mijn indruk. Maar voor mij was het erg lang geleden dat ik het had gelezen en het leek me prettig om het opnieuw te lezen.

Dat was een plezierige en fascinerende ervaring.
Fascinerend, want aan veel woorden en zinswendingen is te merken dat De zevensprong al 50 (of 51?) jaar oud is. Gelaatsuitdrukking, brommer, een onderwijzer die zijn das rechttrekt, of een leerling in de nek pakt (als-ie dat vandaag-de-dag zou doen, zouden de boze ouders de volgende morgen op de stoep staan...) dan wel uitfoetert, of met zijn vuist op tafel slaat, en een mening huldigt en op zaterdagmorgen lesgeeft, een Brozem (woordspeling met nozem), het is niet van deze tijd.
Gevoegd bij het ontbreken van hedendaagse en in de ogen van veel jonge lezers onmisbare attributen als mobieltjes en computers, is het een wonder dat het verhaal nog steeds overeind blijft.
Dat ligt zeer waarschijnlijk aan de ingenieuze intrige (ik hoef die niet samen te vatten) en de levendige verteltrant. Dat kasteeltje in Ruurlo, bijvoorbeeld, dat een rol speelde in de tv-serie, steekt toch wat gewoontjes af bij:

een krankzinnig huis, een huis uit een nachtmerrie... vol torens en torentjes, met hoekige uitsteeksels en bultige aanbouwsels, met scheve schoorstenen en vreemde staketsels op de daken. Het zag eruit alsof het gegroeid was in plaats van gebouwd, zo grillig waren de omtrekken.

Een echt Dragt-huis. Tekenen kon ze het ook:


Dragtiaans is ook het spelen met verwisselingen en mystificaties. Die dubbele persoonlijkheden noemde ik al, maar mooi is dat hoofdpersoon Frans, meester in het vertellen van zelfverzonnen verhalen aan zijn leerlingen, pas langzaam beseft dat hij nu in een verhaal terechtgekomen is dat hij niet zelf heeft verzonnen, en ook langzaam het idee krijgt dat iemand anders hém in een verhaal plaatst, ja, dat misschien zijn leerlingen er meer van weten.

'Misschien toch wel,'zei Frans langzaam. 'Ik ben er helemaal niet zeker meer van dat het Verhaal van de Zevensprong echt is gebeurd...'
'Meester!'zei Maarten ontsteld. 'U hebt het toch niet verzonnen? Van Gr... Gr... en de schat... van Roberto en zijn kanon, en...'
Frans haalde zijn schouders op. 'Daar laat ik me niet over uit,' zei hij. En hij dacht: Als dit verhaal verzonnen is, heb ik het toch zeker niet zelf gedaan! Ik kan wel wat beters fantaseren. Maar wie deed het dan wel? En hoe kan het dat ik het heb beleefd?

Dit spel met werkelijkheid en fantasie is typerend - en fascinerend.
Heerlijk, nogmaals.



Tonke Dragt. De Zevensprong. Leopold, 33e druk, 2017. 304 p., ISBN 978 09 258 7213 7.

NB. Mooi hè, die 7 aan het eind van het ISBN...




maandag 10 april 2017

Turmoil in Turkije - geen IBBY-congres

Er worden honderdduizenden kinderboeken per jaar verkocht in Nederland, toch telt de Nederlandse afdeling van de International Board on Books for Young people (IBBY) niet meer dan zo'n vijfhonderd begunstigers, schat ik.
Dat is jammer, want de IBBY is heus een aardige vereniging, waarin mensen hun uiterste best doen om het kinderboek de aandacht te geven die het verdient.
Ik citeer de doelstelling weer eens:

Mission
  • to promote international understanding through children's books
  • to give children everywhere the opportunity to have access to books with high literary and artistic standards
  • to encourage the publication and distribution of quality children's books, especially in developing countries
  • to provide support and training for those involved with children and children's literature
  • to stimulate research and scholarly works in the field of children's literature
  • to protect and uphold the Rights of the Child according to the UN Convention on the Rights of the Child. ' 

Wie kan daar nu tegen zijn... Recep Erdogan misschien?

Tot de activiteiten van IBBY hoort het organiseren van een internationaal congres, elke twee jaar. Dat vond tot nu toe plaats op de meest uiteenlopende plaatsen, zie hier. Merendeels heel rustige plekken, maar toch ook iets minder rustige plekken als Mexico City (2014), Macau (2006), Cartagena de Indias (2002), New Delhi (1998), Berlijn drie jaar na de val van de Muur (1992), Nicosia (1984) en Rio de Janeiro (1974).
In 2018 zou het congres in Istanbul zijn. Maar dat gaat niet door. Dat maakte IBBY-voorzitter Wally De Docker bekend tijdens de Internationale Kinderboekenbeurs in Bologna. Dit is het officiële bericht:

Our world is in turmoil. At the start of the 2017 Bologna Children's Books Fair press conference I talked about promoting international understanding and the current tendency of building walls in order to separate nations from one another.  We are now confronted by a situation that affects IBBY directly.  Our colleagues in Turkey are dealing with a situation in their country that is beyond their control. 
However, IBBY needs to react to world events, we are not immune.
So, with a really heavy heart as IBBY president I have to announce that the 2018 IBBY Congress that was scheduled to happen in Istanbul next September has been cancelled.
I want to sincerely thank our IBBY members in Turkey for their dedication, perseverance and good will. They have been preparing for this event for the last 4 years. 
IBBY has a two-year cycle and therefore the IBBY network of members still needs to meet in 2018.  The IBBY Executive Committee is looking into various feasible alternatives and we hope to announce a solution by the end of April this year.

Wally De Doncker
IBBY President
Bologna, 3 April 2017

Ja, Recep Erdogan eigent zich heel wat macht toe. Turkije is nog net geen dictatuur. Toch verbaasde het me te horen dat deze conferentie is afgelast.

Op 7 mei hoorde ik van een bestuurslid van IBBY Nederland dat de organisatie de 'veiligheid van de deelnemers niet zou kunnen garanderen'.
Tja. Wat moet ik me daar nou bij voorstellen. Niemands veiligheid is ooit gegarandeerd. Vliegtuigongelukken, aanrijdingen, berovingen, vervelende ziektes... het is allemaal niet echt te voorkomen, hooguit een beetje te vermijden.
Eigenlijk kan ik mij niet voorstellen dat er ook maar een deelnemer uit de kinderboekenwereld ongewenst zou zijn in de ogen van het Turkse bewind - behalve wellicht een afvaardiging uit Armenië - wat overigens wat mij betreft reden genoeg zou zijn voor afgelasting. Het riekt een beetje naar een angstig IBBY-bestuur - óf naar informatie die beter niet in de openbaarheid gebracht kon worden volgens dat bestuur ('situation in their country that is beyond their control').
Een merkwaardige beslissing.

maandag 3 april 2017

Jeugdliteratuur: kunst in woord en beeld 2

Op 28 januari schreef ik over de komende 26e editie van de Bienále Ilustrácií Bratislava / Biennale of Illustrations Bratislava (kortweg BIB), in (uiteraard) Bratislava, Bibiana, 'International House of Art for Children', en hoe daarvoor werk wordt geselecteerd.

Nu is bekend welk werk naar de tentoonstelling gaat. Het betreft werk van/uit:

Henriette Boerendans, Daar buiten slaapt een aap (uitg. Gottmer)
Irene Goede, Erop of eronder (tekst: Anne Pek) (uitg. Gottmer)
Annemarie van Haeringen, De parkiet, de zeemeermin en de slak (uitg. Leopold)
Alice Hoogstad, Mijn oma is een ooievaar (uitg. Lemniscaat)
Philip Hopman, Hubert de Givenchy (uitg. Leopold)
Yvonne Jagtenberg, Links of rechts? (uitg. Rubenstein)
Martijn van der Linden, Tangramkat (tekst: Maranke Rinck) (uitg. Lemniscaat)
Merlijne Marell, Schobbejacques en de 7 geiten (uitg. Loopvis)
Yke Reeder, Wapper (tekst: Sytse Jansma) (uitg. Afûk)
Roelof van der Schans, Het meisje met de rode paraplu (tekst: diverse auteurs) (uitg. Wijdemeer & Aed Levwerd)
Ingrid & Dieter Schubert, Opvrolijkvogeltje (tekst: Edward van de Vendel) (uitg. Lemniscaat)
Thé Tjong-Khing, Kunst met taart (uitg. Lannoo)
Ludwig Volbeda, De vogels (tekst: Ted van Lieshout) (uitg. Leopold)
Sylvia Weve, Arme rijk (tekst: Bette Westera) (uitg. Gottmer)
Arnoud Wierstra, Babel (uitg. Gottmer).

De samenstelling van de selectiecommisie werd niet onthuld. Jammer, want ze heeft naar mijn idee een goede selectie gedaan.
'En nu maar afwachten of de internationale jury in september één of meer van onze illustratoren zal verblijden met een bekroning.'


dinsdag 28 maart 2017

Jij met mij

Robbert-Jan Henkes was me eerst en vooral bekend wegens de vertaling van James Joyce' Ulysses, samen met Eric Bindervoet, want die vertaling werd zeer gewaardeerd, zoals dat ook gold voor hun huzarenstukje bij uitstek, de vertaling van Finnigans Wake in 2002.
Ze staan op mijn lijstje... Ulysses las ik lang geleden, maar in een andere vertaling, ik denk die van John Vandenbergh. Nou nog het origineel...

Opeens was daar Bij ons op de maan, een bundel gedichten voor kinderen, door Robbert-Jan Henkes vertaald uit het Russisch. Weer eens iets anders dan Iers-Engels. Die zou hij hebben samengesteld 'op basis van 25 jaar lezen en luisteren'. (Bron.)

Bij mij op de maan
Heb je elke dag wafels
Prinsesje, schuif aan
Aan mijn wafeltafels!

Wellicht inspireerden deze gedichten hem. Want onlangs verscheen een bundel gedichten van eigen hand, Jij bij mij, met illustraties van Marga van den Heuvel. Dit werk kwam min of meer in het openbaar tot stand, zie de website Stormenderland.
Ik citeer daarvan:

'Jij met mij is een poëzieprentenboek voor iedereen vanaf 4 jaar. In 2015 begon Marga van den Heuvel samen met schrijver/vertaler Robbert-Jan Henkes te publiceren op hun website Stormenderland.nl. Robbert-Jan poste elke dag een gedicht of songtekstvertaling, Marga reageerde daarop met een illustratie. Soms werkten ze ook andersom.

Ze besloten in 2016 een selectie kindergedichten en -illustraties naar Uitgeverij Querido te sturen. Die reageerden enthousiast en er volgde een jaar van bijschaven en uitwerken. Nu is het boek af en het ligt vanaf 8 maart 2017 in de winkels.'

Er zit geen muziek bij en dat is jammer, want veel zo niet alle gedichten uit deze bundel zouden het goed doen als liedteksten. Ik citeer er één (het eerste in de bundel) om dat te tonen:

Vis is vies
En wou zich wassen
Wou zich wissen
Wou zich wassen
Wou zich plissen plessen plassen

Al haar schubben
Wou ze schrobben
Schubben schrobben
In de tobbe
Om zich schoon te wissen wassen

Visje, visje
Visje mijn
Wist je, wist je
Dat een vis nooit vies kan zijn?
Visjes vies
Zijn heel gewoon
Altijd goed gewassen
Schoon




Klankrijm, spelen met nonsenswoorden en spelen met associaties zoals hier komen in alle teksten terug. Trochee en jambe staan aan de basis van het ritme en dat komt ook vaak terug, maar niet overal. Zie bijvoorbeeld het begin van 'In het land Ocharme':

In het land Ocharme, op een berg stenen,
In een oude toren woont een oude reus.

Hij heeft twee linkerarmen,
Hij heeft twee linkerbenen,
Hij heeft twee linkeroren,
En een linkerneus.

Ritme genoeg, maar net anders dan in 'Vis is vies'.

Ze zijn speels, deze gedichten. Er is een mooie variant op 'Jantje had een hobbelpaard', ofwel een liedje dat almaar doorgaat doordat de eindregel ook de beginregel is, of zou kunnen zijn: 'Beer in thee'. Met overigens een heerlijke tante Betje:

Daar is hij toen op geklommen
En ging slapen bij een boom.

En een gedicht als 'De broertjes salamander' geeft ook nog stof tot nadenken, want

... wie was nou de ander
En wie precies de een?
Wie van de broertjes salamander
Was nou, zeg maar, salameen?

en het laatste couplet:

Ik zag er kort geleden een,
En ik vroeg: Waar is de ander?
En toen zei die salamander:
Hoezo? Dat zie je toch meteen,
Ik ben de ander, niet de een.

Een echt slaapliedje zit er ook in: 'Geeuw- en slaapliedje', heel uitnodigend om er inderdaad een liedje van te maken, maar ook voordragen met veel geeuwen zal succes hebben. De derde strofe (van de vier):

Wat doen de schapen?
Ze gapen, ze gapen.
Wat doen de apen?
Ze gapen, ze gapen.
Weet je zeker dat ze niet slapen?
Nee, ze gapen, ze gapen.

Het titelgedicht is prachtig en begint zo:

Op de spiegelgladde baren
Op de spiegelgladde zee
Varen jij en ik en ik en jij
Tweezaam met z'n twee









Een klein feestje, deze gedichten dan wel toekomstige liedteksten.

De illustraties benadrukken het nonsensikale en het dromerige van de teksten en strekken zich uit over twee pagina's, met steeds rechts de tekst. Helaas kon ik dat niet zo scannen en ik houd het ook op de twee afbeeldingen hierboven om de pret niet te bederven.
Ofwel, wil je meer lezen, koop het boek.

                                                   

Robbert-Jan Henkes & Marga van den Heuvel. Jij met mij. Querido, 2017, 48 p. ISBN 978 90 451 2016 4. € 15,99.



maandag 6 maart 2017

Zeg Roodkapje...

Het zal je liefhebberij maar zijn... maanden in de Koninklijke Bibliotheek doorbrengen om daar honderden versies van Roodkapje over te tikken.
Folkert Karsdorp deed het, aldus een artikel door Maarten Dessing: 'maandenlang eenzame opsluiting in de KB: boek op een kussen, handschoenen aan, met een hand het blaadje openhouden, met de andere overschrijven. Er zaten oude kijkdozen of pop-upboeken bij, daar moet je zó voorzichtig mee zijn'.
Folkert Karsdorp is een etnoloog, 'voorheen verbonden aan het Meertens Instituut en nu aan de Radboud Universiteit in Nijmegen' - maar het Meertens Instituut en zijn eigen site vermelden hem nog gewoon als medewerker. Hij deed het niet in zijn eentje: Antal van den Bosch, 'taaltechnoloog' en vanaf januari dit jaar directeur van het Meertens Instituut, hielp hem. Het onderzoek mondde in december 2016 uit in een proefschrift: Retelling Stories: A Computational-Evolutionary Perspective (2016).



Het doel was om deze versies te vergelijken met hulp van digitale techniek. De uitkomst van dit onderzoek beschreef Marten Dessing in een artikel in Taaluniebericht, Taaltechnologie brengt Roodkapje tot leven. Het persbericht dat ik vond in Nu.nl dateert al uit juni 2016 en ebschrijft de onderzoekmethode aldus:

'De onderzoekers gebruikten een bijzondere bron: alle ingescande of handmatig getranscribeerde versies van meer dan vierhonderd Nederlandse hervertellingen van Roodkapje, verzameld door de Koninklijke Bibliotheek en gedigitaliseerd door Karsdorp in samenwerking met het Meertens Instituut in Amsterdam. Van den Bosch: "De computer maakt het mogelijk om zo’n groot corpus met zoveel data te onderzoeken. Iets wat je handmatig nooit had kunnen doen. Dit is gewoon een veel efficiëntere manier om onderzoek te doen naar de verwantschap van teksten."'




Wat hij onder meer ontdekte is dat de meeste bewerkers teruggrijpen op een andere bewerking en niet op een oude tekst. Nou ja, de meeste...: 'Iedereen die Roodkapje herschrijft, grijpt terug op een variant van maximaal twintig jaar oud.'.




Een boude bewering en het persbericht heeft het over 'vrijwel alle bewerkingen', maar onwaarschijnlijk is het niet.
Natuurlijk wijst Karsdorp er ook op dat alle versies uiteindelijk te herleiden zijn tot de versies van Charles Perrault (die Roodkapje gewoon opgegeten laat) en de gebroeders Grimm (die de jager laten opdraven om haar te bevrijden).
Vooral die laatste versie heeft navolging gevonden. Net als de broers vonden de meeste bewerkers het kennelijk wat bont om de jonge dame zo aan haar eind te laten komen - of ze waren geheel niet op de hoogte van de oudere versie van Perrault.

Die versie van Perrault berustte weer op nóg oudere versies, het verhaal was niet onbekend in Frankrijk en de oudste geschreven versie dateert uit de 10e eeuw, als gerijmd verhaal 'De puella a lupellis servata' in een werk getiteld Fecunda ratis, door ene Ecbertus Leodiensis ofwel Egbert van Luik. Die vroege versies zijn bestudeerd door Jamie Tehrani, zie zijn artikel 'The Phylogeny of Little Red Riding Hood' (2013).




Roodkapje is een van de sprookjes die erg tot de verbeelding hebben gesproken van uitleggers, wegens de seksuele connotaties die het verhaal kan oproepen. Ga niet met vreemde mannen mee is nog de simpelste boodschap die aan Perraults versie zou kunnen worden toegeschreven. Iets minder simpel wordt het vanzelf als aan Roodkapje een zekere gewilligheid wordt toegeschreven.
Dat gaat van serieus naar minder serieus. Zie voor het serieuze werk o.a. de bekende studie van Jack Zipes over Roodkapje, The Trials and Tribulations of Little Red Riding Hood (1983), of Little Red Riding Hood Uncloaked: Sex, Morality, And The Evolution Of A Fairy Tale van Catherine Orenstein (2003), of de verhalenbundel The Bloody Chamber and Other Stories (1979) en daarin het verhaal 'The Company of Wolves' van Angela Carter. Of de film Red Riding Hood van regisseur Catherine Hardwicke.
Minder serieus? Tik in Google of een andere zoekmachine 'Red Hiding Hood Sex' onder afbeeldingen en je krijgt een overvloed aan plaatjes...




Ik heb het proefschrift van Folkert Karsdorp niet gelezen, maar het lijkt me aannemelijk dat hij aan dit aspect geen enkele aandacht besteedt. Sowieso doet het beeld bij hem niet terzake.
Dessing citeert: 'Kinderboeken kun je niet met ocr (optical character recognition) digitaliseren, omdat er vaak plaatjes in zitten. Dan staat er opeens een boom door de tekst afgedrukt.' Aldus Karsdorp.
Jammer, want plaatjes (al dan niet bewegend) zeggen evenveel over navolging als woorden. Neem alleen al de invloed van Disney...

 











donderdag 23 februari 2017

Jacques Vriens

Het is een goede greep van de redactie van Literatuur zonder leeftijd (zie ook Facebook) om van tijd tot tijd een auteur of illustrator als onderwerp voor een aflevering te kiezen. Recentelijk waren dat Harrie Geelen, Imme Dros, Bart Moeyaert en Ted van Lieshout.

Jacques Vriens

Voor aflevering 101 (winter 2016) werd het Jacques Vriens. Aanleiding was Die rotschool met die fijne klas - want dat verscheen in 1976 en dus is Jacques Vriens veertig jaar schrijver. In die periode zag hij kans om ruim 90 titels te produceren, rond te reizen met eigen theatervoorstellingen en ook nog eens talloze keren als leesbevorderaar op te treden - deels als Kinderboekambassadeur (vanaf 2013; nu: Jan Paul Schutten). En daarnaast schreef hij diverse artikelen over het nut en de vreugde van lezen. Zijn BTW haalde ooit de kolommen van Leesgoed en is nu (terecht) te vinden in LZL 101 en op internet.

Ook anderen ontging dat veertigjarig schrijversschap niet: in februari was Achtstegroepers huilen niet voor € 2,- te koop in de actie Geef mij maar een boek.

BTW staat voor Bereikbaarheid, Toegankelijkheid en Waardering, want daarom gaat het volgens Jacques Vriens bij leesbevordering. Zie LZL 101 p. 19-20, vooral voor de tips. Nog steeds een prachthandleiding voor leesbevordering op school, in twee pagina's. De BTW wordt gevolgd door De Lijst van Vriens, zestig titels jeugdliteratuur die iedere aankomende leraar basisonderwijs zou moeten lezen. Leg die naast die van de huidige Kinderboekambassadeur (zie ook hier) en je hebt helemaal een prachtlijst. Ze overlappen elkaar uiteraard wel.

Verder in dit nummer onder meer een interview met Jacques Vriens door Helma van Lierop, herinneringen aan hem als adviseur voor Van Holkema & Warendorf door Martine Schaap, als schoolmeester door Annemarie Bon en als ambassadeur door Gerlien van Dalen, herinneringen aan hem door illustratrice Annet Schaap en door de auteurs Sjoerd Kuyper en Mirjam Oldenhave, besprekingen van zijn theaterwerk door Selma Niewold en van zijn serieboeken door Susan Venings, en enkele langere studies over het werk van Jacques Vriens door Jacques Dane, Sanne Parlevliet, Helma van Lierop en Ann Uleners.
En last but not least ook nog een heel verhaal ('Tinus-in-de-war') en gedichten van Jacques Vriens, die het als liedteksten voor een schoolmusical goed zouden kunnen doen.

Heel wat te lezen dus, voor de liefhebber.



Literatuur zonder leeftijd 101. ISBN 978 94 6167 294 0, 196 p.



vrijdag 17 februari 2017

Het risico van de politiek in jeugdliteratuur

Het dossier van La revue des livres pur enfants 292 (december 2016) heeft als motto: 'Au risque de la politique'.
La revue des livres pour enfants is een Frans tijdschrift over jeugdliteratuur, uitgegeven door La joie par les livres, dat ressorteert onder de Bibliothèque Nationale de France.
Niet alle afleveringen van La revue des livres pour enfants bespreek ik. Alleen de jaarlijkse selecties, zoals die van 2015, en soms een nummer met een dossier dat me het bespreken waard lijkt, zoals dit, over jeugdliteratuur in Brazilië, of dit, over goden en jeugdliteratuur. 
Onder dossier verstaat het tijdschrift een vijf- tot zevental degelijke artikelen over één onderwerp. Voor het overige bestaat het uit besprekingen, nieuws en een enkel interview of artikel over een ander onderwerp, buiten het dossier.

Het eerste artikel in dit dossier is meteen ook het meest opzienbarend, zeker met het oog op de Tweede-Kamer-verkiezingen.
Onder de titel '"Je serai vous, je fermerais ma gueule"' (Als ik u was, zou ik m'n muil houden) beschrijft hoofdredacteur Marie Lallouet het wedervaren van een mediatheekdirectrice in een stadje, 'ergens in Frankrijk', waar na de verkiezingen in 2014 bestuurders aan de macht kwamen die gelieerd waren (helaas, zijn!) aan de UMP en het Front National.
Omdat die mediatheek nogal wat activiteiten uitvoerde in arme wijken en met kinderen van migranten, kreeg de leiding het onmiddellijk te verduren. In een periode van 14 maanden die door de betrokken mediatheekmedewerkers als oorlog werden ervaren, grepen de bestuurders hardhandig in, waarbij ze zich van wettelijke beperkingen niets aantrokken.
Activiteiten werden stopgezet, de collectie wantrouwig bekeken. De 'oorlog' eindigde met het vertrek van de directrice en een flink aantal medewerkers,en liet de blijvers lamgeslagen achter, met een gekortwiekt budget en programma en de ervaring dat het aanschafbeleid voortaan gecontroleerd wordt door de gemeente.
Bibliotheekmedewerkers in gemeentes waar de PVV de macht dreigt te krijgen en die in staat zijn om Frans te lezen (ach, zijn die er nog...), zouden dit artikel met aandacht moeten lezen.

Dat de politiek zich vaker met de jeugdliteratuur bemoeide, toont Christian Bruel in 'Quand la politique s'en mêle'. Met in het intro de opmerking dat zulke ingrepen zelfs na wegebben 'een bittere smaak van zelfcensuur achterlaten'.




Zo zijn er meer lezenswaardige artikelen in dit dossier, hoe lastig het ook is dat sommige uitgeverijen, auteurs en boeken in onze streken niet zo bekend zijn, zoals bijvoorbeeld de uitgeverij la ville brûle en de auteur Yves Pommaux, uit wiens Véro en mai bovenstaande afbeelding komt. Hij werd geïnterviewd voor dit dossier.



La revue des livres pour enfants 292, december 2016. Centre national de la littérature pour ja jeunesse, Bibliothècque nationale de France. ISBN 978 2 35494 074 4, ISSN 0398 8384, 204 p. Prijs van dit nummer buiten Frankrijk € 15,-.